BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 41
Luchtverkeersreglement
1. De gezagvoerder van een burgerluchtvaartuig dat wordt onderschept door een militair luchtvaartuig of een luchtvaartuig dat wordt gebruikt voor politie- of douanediensten:
a. volgt de door het onderscheppende luchtvaartuig gegeven opdracht op waarbij aan de krachtens artikel 33 vastgestelde visuele seinen betekenis en uitvoering wordt gegeven;
b. stelt zo mogelijk de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten in kennis van de onderschepping;
c. brengt zo mogelijk een radioverbinding tot stand met het onderscheppende luchtvaartuig of met de eenheid die de onderschepping leidt, door het uitzenden van een algemene oproep op de noodfrequentie 121.500 MHz onder vermelding van de identiteit van het onderschepte luchtvaartuig en de aard van de vlucht;
d. herhaalt, indien geen radioverbinding tot stand is gekomen, de in onderdeel c bedoelde oproep op de noodfrequentie 243.000 MHz, voor zover uitvoerbaar;
e. maakt gebruik van de krachtens artikel 33 vastgestelde seinen, indien de omstandigheden dit noodzakelijk maken;
f. stelt de transponder in op mode A code 7700, tenzij door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten anders wordt opgedragen.
2. De gezagvoerder van het onderschepte luchtvaartuig dat per radio een opdracht ontvangt, uit welke bron dan ook, die afwijkt van de opdracht door middel van seinen of de radio gegeven door het onderscheppende luchtvaartuig, vraagt onmiddellijk om opheldering aan het onderscheppende luchtvaartuig terwijl het voortgaat met het voldoen aan de opdracht van het onderscheppende luchtvaartuig.
3. Bij regeling kan Onze Minister regels geven met betrekking tot het onderscheppen van burgerluchtvaartuigen door militaire luchtvaartuigen of luchtvaartuigen die worden gebruikt voor politie- of douanediensten.
4. Bij regeling kan Onze Minister nadere regels geven met betrekking tot het eerste en tweede lid.
a. volgt de door het onderscheppende luchtvaartuig gegeven opdracht op waarbij aan de krachtens artikel 33 vastgestelde visuele seinen betekenis en uitvoering wordt gegeven;
b. stelt zo mogelijk de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten in kennis van de onderschepping;
c. brengt zo mogelijk een radioverbinding tot stand met het onderscheppende luchtvaartuig of met de eenheid die de onderschepping leidt, door het uitzenden van een algemene oproep op de noodfrequentie 121.500 MHz onder vermelding van de identiteit van het onderschepte luchtvaartuig en de aard van de vlucht;
d. herhaalt, indien geen radioverbinding tot stand is gekomen, de in onderdeel c bedoelde oproep op de noodfrequentie 243.000 MHz, voor zover uitvoerbaar;
e. maakt gebruik van de krachtens artikel 33 vastgestelde seinen, indien de omstandigheden dit noodzakelijk maken;
f. stelt de transponder in op mode A code 7700, tenzij door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten anders wordt opgedragen.
2. De gezagvoerder van het onderschepte luchtvaartuig dat per radio een opdracht ontvangt, uit welke bron dan ook, die afwijkt van de opdracht door middel van seinen of de radio gegeven door het onderscheppende luchtvaartuig, vraagt onmiddellijk om opheldering aan het onderscheppende luchtvaartuig terwijl het voortgaat met het voldoen aan de opdracht van het onderscheppende luchtvaartuig.
3. Bij regeling kan Onze Minister regels geven met betrekking tot het onderscheppen van burgerluchtvaartuigen door militaire luchtvaartuigen of luchtvaartuigen die worden gebruikt voor politie- of douanediensten.
4. Bij regeling kan Onze Minister nadere regels geven met betrekking tot het eerste en tweede lid.