BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 41a
Luchtverkeersreglement
1. De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat onderworpen is aan wederrechtelijke inmenging tracht de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hiervan op de hoogte te stellen. Daarbij worden omstandigheden gemeld die voor de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten van belang kunnen zijn voor het uitoefenen van haar taak.
2. Wanneer het niet mogelijk is de verlener van luchtverkeersdiensten te informeren als bedoeld in het eerste lid en het luchtvaartuig moet afwijken van de koers en vlieghoogte waarvoor een klaring was verkregen:
a. probeert de gezagvoerder de koers en vlieghoogte aan te houden waarvoor een klaring was verkregen, tot de verlener van luchtverkeersdiensten is geïnformeerd of het luchtvaartuig in een gebied met radardekking vliegt, tenzij omstandigheden aan boord dit onmogelijk maken,
b. probeert de gezagvoerder waarschuwingen te geven op de VHF noodfrequentie of andere geschikte frequenties, en zo of via de transponders of gegevensverbindingen informatie te verstrekken over afwijkingen van koers en vlieghoogte, tenzij omstandigheden aan boord dit onmogelijk maken,
c. volgt de gezagvoerder de regionale aanvullende procedures voor onvoorziene gebeurtenissen of, wanneer deze er niet zijn, zet de gezagvoerder de vlucht zodanig voort dat het vliegtuig bij een IFR-vlucht 150 m (500 voet) van de kruishoogte afwijkt in een gebied waar een verticale separatie van minimaal 300 m (1000 voet) geldt, of 300 m (1000 voet) van de kruishoogte afwijkt in een gebied waar een verticale separatie van minimaal 600 m (2000 voet) geldt.
2. Wanneer het niet mogelijk is de verlener van luchtverkeersdiensten te informeren als bedoeld in het eerste lid en het luchtvaartuig moet afwijken van de koers en vlieghoogte waarvoor een klaring was verkregen:
a. probeert de gezagvoerder de koers en vlieghoogte aan te houden waarvoor een klaring was verkregen, tot de verlener van luchtverkeersdiensten is geïnformeerd of het luchtvaartuig in een gebied met radardekking vliegt, tenzij omstandigheden aan boord dit onmogelijk maken,
b. probeert de gezagvoerder waarschuwingen te geven op de VHF noodfrequentie of andere geschikte frequenties, en zo of via de transponders of gegevensverbindingen informatie te verstrekken over afwijkingen van koers en vlieghoogte, tenzij omstandigheden aan boord dit onmogelijk maken,
c. volgt de gezagvoerder de regionale aanvullende procedures voor onvoorziene gebeurtenissen of, wanneer deze er niet zijn, zet de gezagvoerder de vlucht zodanig voort dat het vliegtuig bij een IFR-vlucht 150 m (500 voet) van de kruishoogte afwijkt in een gebied waar een verticale separatie van minimaal 300 m (1000 voet) geldt, of 300 m (1000 voet) van de kruishoogte afwijkt in een gebied waar een verticale separatie van minimaal 600 m (2000 voet) geldt.