BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 1a
Luchtverkeersreglement
1. De <a href="/wet/BWBR0005555" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">titels 5.1</a>en <a href="/wet/BWBR0005555" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5.2 van de Wet luchtvaart</a>en dit besluit, met uitzondering van het tweede en derde lid en de artikelen 20en 63, zijn niet van toepassing op de volgende luchtvaartuigen:
a. kabelvlieger, zijnde een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, dat door middel van (een) ankerkabel(s) of lijn(en) is verbonden met het aardoppervlak;
b. kleine kabelballon, zijnde een onbemande ballon, die door middel van een ankerkabel of lijn is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale-standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 meter of een inhoud van ten hoogste 4 kubieke meter heeft, dan wel een samenstel van ballonnen waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarde niet te boven gaat;
c. licht onbemand luchtvaartuig, niet zijnde een modelluchtvaartuig of onbemande vrije ballon, zijnde een luchtvaartuig waarvan de totale startmassa niet meer dan 150 kilogram bedraagt en de maximale snelheid lager is dan 129,64 km/u (70 knopen);
d. modelluchtvaartuig, zijnde een luchtvaartuig van geringe afmeting, niet in staat een mens te dragen, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt;
e. onbemande vrije ballon, zijnde een vrije ballon die niet is ingericht of bestemd om personen te vervoeren;
f. valscherm, zijnde een scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken dat deze veilig het aardoppervlak kan bereiken;
g. valschermzweeftoestel, zijnde een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, in de vorm van een scherm met één of twee harnassen, dat in de lucht wordt gebracht en voortbewogen met een voer- of vaartuig waarmee het dan is verbonden met één of meer lijnen.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn de <a href="/wet/BWBR0005555/artikel/5.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5.3</a>en <a href="/wet/BWBR0005555/artikel/5.5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5.5 van de Wet luchtvaart</a>van toepassing op de luchtvaartuigen, genoemd in het eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien van de deelname aan het luchtverkeer met een luchtvaartuig als genoemd in het eerste lid.
a. kabelvlieger, zijnde een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, dat door middel van (een) ankerkabel(s) of lijn(en) is verbonden met het aardoppervlak;
b. kleine kabelballon, zijnde een onbemande ballon, die door middel van een ankerkabel of lijn is verbonden met het aardoppervlak en die op zeeniveau in de internationale-standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een diameter van ten hoogste 2 meter of een inhoud van ten hoogste 4 kubieke meter heeft, dan wel een samenstel van ballonnen waarvan de gezamenlijke diameter of inhoud deze waarde niet te boven gaat;
c. licht onbemand luchtvaartuig, niet zijnde een modelluchtvaartuig of onbemande vrije ballon, zijnde een luchtvaartuig waarvan de totale startmassa niet meer dan 150 kilogram bedraagt en de maximale snelheid lager is dan 129,64 km/u (70 knopen);
d. modelluchtvaartuig, zijnde een luchtvaartuig van geringe afmeting, niet in staat een mens te dragen, waarvan de totale startmassa niet meer dan 25 kilogram bedraagt;
e. onbemande vrije ballon, zijnde een vrije ballon die niet is ingericht of bestemd om personen te vervoeren;
f. valscherm, zijnde een scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken dat deze veilig het aardoppervlak kan bereiken;
g. valschermzweeftoestel, zijnde een toestel, zwaarder dan lucht en niet voorzien van een voortstuwingsinrichting, in de vorm van een scherm met één of twee harnassen, dat in de lucht wordt gebracht en voortbewogen met een voer- of vaartuig waarmee het dan is verbonden met één of meer lijnen.
2. In afwijking van het eerste lid, zijn de <a href="/wet/BWBR0005555/artikel/5.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 5.3</a>en <a href="/wet/BWBR0005555/artikel/5.5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">5.5 van de Wet luchtvaart</a>van toepassing op de luchtvaartuigen, genoemd in het eerste lid.
3. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien van de deelname aan het luchtverkeer met een luchtvaartuig als genoemd in het eerste lid.