BWBR0005775
Geldig vanaf 1993-01-01
Artikel 28
Luchtverkeersreglement
1. Onze Minister geeft regels met betrekking tot de periode waarin en de omstandigheden waaronder de volgende door een luchtvaartuig gevoerde lichten worden getoond:
a. navigatielichten;
b. anti-botsingslichten;
c. lichten die de afmetingen van het luchtvaartuig aangeven;
d. lichten die aangeven dat een voortstuwingsinrichting van het luchtvaartuig in werking is dan wel wordt gesteld.
2. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten te voeren, indien deze kunnen worden aangezien voor de krachtens dat lid vastgestelde lichten.
3. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten te tonen indien deze verblinding kunnen veroorzaken voor leden van het stuurhutpersoneel van het betrokken luchtvaartuig of van andere luchtvaartuigen, dan wel op een luchthaven voor bestuurders van voertuigen of grondpersoneel.
a. navigatielichten;
b. anti-botsingslichten;
c. lichten die de afmetingen van het luchtvaartuig aangeven;
d. lichten die aangeven dat een voortstuwingsinrichting van het luchtvaartuig in werking is dan wel wordt gesteld.
2. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten te voeren, indien deze kunnen worden aangezien voor de krachtens dat lid vastgestelde lichten.
3. Het is verboden andere dan de in het eerste lid bedoelde lichten te tonen indien deze verblinding kunnen veroorzaken voor leden van het stuurhutpersoneel van het betrokken luchtvaartuig of van andere luchtvaartuigen, dan wel op een luchthaven voor bestuurders van voertuigen of grondpersoneel.