BWBR0004866
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 14
Besluit toezicht beleggingsinstellingen
1. Een voorgenomen wijziging van de voorwaarden of de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, en een voorgenomen wijziging van de maatregelen, bedoeld in artikel 5a, dient aan de toezichthoudende autoriteit te worden gemeld. Deze wijziging wordt niet van kracht voordat hij zijn instemming heeft verleend.
2. Op een wijziging zijn artikel 5, artikel 5aen artikel 7, eerste lid, onderdelen d en i,van overeenkomstige toepassing.
3. Instemming wordt geacht te zijn verkregen indien de toezichthoudende autoriteit het voorstel tot wijziging niet heeft afgewezen binnen vier weken na ontvangst van het voorstel of, indien hij daarom heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van de nadere inlichtingen.
4. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op een voorgenomen statutenwijziging indien deze eerst van kracht wordt nadat Onze minister van Justitie heeft verklaard dat hem ter zake van bezwaren niet is gebleken. Indien een voorgenomen statutenwijziging eerst van kracht wordt nadat Onze Minister van Justitie heeft verklaard dat hem ter zake van bezwaren niet is gebleken, kan Onze Minister van Justitie over de statutenwijziging advies inwinnen bij de toezichthoudende autoriteit. In dat geval is de toezichthoudende autoriteit verplicht dit advies uit te brengen. Onze Minister van Justitie stelt de toezichthoudende autoriteit op de hoogte van het feit dat hij een verklaring als bedoeld in de eerste zin heeft afgegeven dat wel heeft geweigerd af te geven.
5. Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Op een wijziging zijn artikel 5, artikel 5aen artikel 7, eerste lid, onderdelen d en i,van overeenkomstige toepassing.
3. Instemming wordt geacht te zijn verkregen indien de toezichthoudende autoriteit het voorstel tot wijziging niet heeft afgewezen binnen vier weken na ontvangst van het voorstel of, indien hij daarom heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van de nadere inlichtingen.
4. Het eerste lid, tweede volzin, is niet van toepassing op een voorgenomen statutenwijziging indien deze eerst van kracht wordt nadat Onze minister van Justitie heeft verklaard dat hem ter zake van bezwaren niet is gebleken. Indien een voorgenomen statutenwijziging eerst van kracht wordt nadat Onze Minister van Justitie heeft verklaard dat hem ter zake van bezwaren niet is gebleken, kan Onze Minister van Justitie over de statutenwijziging advies inwinnen bij de toezichthoudende autoriteit. In dat geval is de toezichthoudende autoriteit verplicht dit advies uit te brengen. Onze Minister van Justitie stelt de toezichthoudende autoriteit op de hoogte van het feit dat hij een verklaring als bedoeld in de eerste zin heeft afgegeven dat wel heeft geweigerd af te geven.
5. Artikel 5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.