BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 17
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Aan boord van een watervliegtuig moet bij elke vlucht aanwezig zijn:
a. voor iedere inzittende een zwemvest of daarmede gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, dat zodanig moet zijn opgeborgen, dat de inzittende het vanaf zijn zit- en ligplaats gemakkelijk kan grijpen;
b. indien van toepassing, middelen voor het geven van geluidsseinen, als bedoeld in de Bepaling ter voorkoming van aanvaringen op zee;
c. een anker;
d. indien dit nodig is voor het manoeuvreren, een drijfanker.
2a. Aan boord van een landvliegtuig dat zich boven water meer dan 50 zeemijlen zal verwijderen van land dat geschikt is voor een noodlanding, moet voor iedere inzittende een zwemvest of daarmede gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, aanwezig zijn, dat zodanig moet zijn opgeborgen dat de inzittende het vanaf zijn zit- of ligplaats gemakkelijk kan grijpen.
2b. Aan boord van een eenmotorig landvliegtuig, dat zich boven water meer dan 100 zeemijlen zal verwijderen van land dat geschikt is voor een noodlanding, moeten aanwezig zijn:
1e. een voldoende aantal reddingsvlotten om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddings- en overlevingsmiddelen, aangepast aan het gebied waarover gevlogen zal worden en van uitrusting voor het geven van de krachtens het Luchtverkeersreglement-1980 voorgeschreven noodseinen;
2e. een doelmatig op VHF werkende noodzender, die zodanig moet zijn opgeborgen dat deze in noodgevallen gemakkelijk bereikbaar is. De zender moet draagbaar zijn, onafhankelijk van de elektrische boordinstallatie kunnen werken en verwijderd van het vliegtuig kunnen worden bediend door ongeoefende personen.
a. voor iedere inzittende een zwemvest of daarmede gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, dat zodanig moet zijn opgeborgen, dat de inzittende het vanaf zijn zit- en ligplaats gemakkelijk kan grijpen;
b. indien van toepassing, middelen voor het geven van geluidsseinen, als bedoeld in de Bepaling ter voorkoming van aanvaringen op zee;
c. een anker;
d. indien dit nodig is voor het manoeuvreren, een drijfanker.
2a. Aan boord van een landvliegtuig dat zich boven water meer dan 50 zeemijlen zal verwijderen van land dat geschikt is voor een noodlanding, moet voor iedere inzittende een zwemvest of daarmede gelijk te stellen middel om een persoon drijvende te houden, aanwezig zijn, dat zodanig moet zijn opgeborgen dat de inzittende het vanaf zijn zit- of ligplaats gemakkelijk kan grijpen.
2b. Aan boord van een eenmotorig landvliegtuig, dat zich boven water meer dan 100 zeemijlen zal verwijderen van land dat geschikt is voor een noodlanding, moeten aanwezig zijn:
1e. een voldoende aantal reddingsvlotten om alle inzittenden te kunnen bevatten. Deze reddingsvlotten moeten zodanig zijn opgeborgen, dat zij in een noodgeval snel voor gebruik gereed zijn. Zij moeten zijn voorzien van reddings- en overlevingsmiddelen, aangepast aan het gebied waarover gevlogen zal worden en van uitrusting voor het geven van de krachtens het Luchtverkeersreglement-1980 voorgeschreven noodseinen;
2e. een doelmatig op VHF werkende noodzender, die zodanig moet zijn opgeborgen dat deze in noodgevallen gemakkelijk bereikbaar is. De zender moet draagbaar zijn, onafhankelijk van de elektrische boordinstallatie kunnen werken en verwijderd van het vliegtuig kunnen worden bediend door ongeoefende personen.