BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 21
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. a. a. Het vliegtuig moet zijn uitgerust met zodanige installaties voor navigatie, dat de gezagvoerder in staat is de vlucht uit te voeren volgens het vliegplan en overeenkomstig de aanwijzingen van de luchtverkeersdiensten;
b. De navigatie-installatie, bedoeld onder a, moet met ingang van 1 januari 1998 tijdens een IFR-vlucht ten minste voldoen aan de normen in deel I van Boek I van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
2. Tenzij zulks verboden is door het ter plaatse bevoegde gezag is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing, wanneer een VFR-vlucht wordt uitgevoerd aan de hand van herkenbare punten op de grond, die niet meer dan 60 zeemijlen van elkaar verwijderd zijn.
3. Tijdens een vlucht in een luchtruimte, waar door het ter plaatse bevoegde gezag minimum navigatie nauwkeurigheidseisen zijn vastgesteld, moet het vliegtuig zijn voorzien van een navigatie-installatie, die voortdurend aanwijzingen geeft aan de leden van het stuurhutpersoneel of de grondkoers met de vereiste nauwkeurigheid wordt gevolgd. Door de Minister van Verkeer en Waterstaat moet toestemming voor het gebruik van de installatie zijn verleend.
4. Het vliegtuig moet zodanig met installaties voor navigatie zijn uitgerust, dat bij het onklaar raken van één installatie gedurende de vlucht, de overblijvende navigatieuitrusting voldoende is om de vlucht voort te zetten met inachtneming van het gestelde in het eerste en derde lid.
5. Wanneer de vlucht zal worden beëindigd onder instrumentweersomstandigheden moet het vliegtuig zijn uitgerust met een installatie die in staat is signalen te ontvangen die geleiding geven tot een punt van waar een landing met visuele oriëntatie kan worden uitgevoerd. Deze uitrusting moet in staat zijn geleiding te geven naar het luchtvaartterrein, waar een landing onder instrumentweersomstandigheden is voorgenomen en naar iedere aangegeven uitwijkhaven.
b. De navigatie-installatie, bedoeld onder a, moet met ingang van 1 januari 1998 tijdens een IFR-vlucht ten minste voldoen aan de normen in deel I van Boek I van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.
2. Tenzij zulks verboden is door het ter plaatse bevoegde gezag is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing, wanneer een VFR-vlucht wordt uitgevoerd aan de hand van herkenbare punten op de grond, die niet meer dan 60 zeemijlen van elkaar verwijderd zijn.
3. Tijdens een vlucht in een luchtruimte, waar door het ter plaatse bevoegde gezag minimum navigatie nauwkeurigheidseisen zijn vastgesteld, moet het vliegtuig zijn voorzien van een navigatie-installatie, die voortdurend aanwijzingen geeft aan de leden van het stuurhutpersoneel of de grondkoers met de vereiste nauwkeurigheid wordt gevolgd. Door de Minister van Verkeer en Waterstaat moet toestemming voor het gebruik van de installatie zijn verleend.
4. Het vliegtuig moet zodanig met installaties voor navigatie zijn uitgerust, dat bij het onklaar raken van één installatie gedurende de vlucht, de overblijvende navigatieuitrusting voldoende is om de vlucht voort te zetten met inachtneming van het gestelde in het eerste en derde lid.
5. Wanneer de vlucht zal worden beëindigd onder instrumentweersomstandigheden moet het vliegtuig zijn uitgerust met een installatie die in staat is signalen te ontvangen die geleiding geven tot een punt van waar een landing met visuele oriëntatie kan worden uitgevoerd. Deze uitrusting moet in staat zijn geleiding te geven naar het luchtvaartterrein, waar een landing onder instrumentweersomstandigheden is voorgenomen en naar iedere aangegeven uitwijkhaven.