Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:GHDHA:2026:495
Strafrecht
Hoger beroep
3,725 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:495 text/xml public 2026-03-31T13:33:49 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-11 22-001563-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:495 text/html public 2026-03-31T13:33:32 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:495 Gerechtshof Den Haag , 11-03-2026 / 22-001563-23 Bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Schriftelijke in kennisstelling van het resultaat als voorgeschreven in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer behoort tot de strikte waarborgen waarmee dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan is omringd. Ter weerlegging van het op de stelling dat de verdachte de voorgeschreven kennisgeving niet heeft ontvangen gebaseerde verweer dat aan dit voorschrift niet is voldaan, is onvoldoende dat het voorafgaand aan verzending van deze kennisgeving reeds afgesloten proces-verbaal van opsporingsonderzoek de zinsnede bevat “Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal”. De omstandigheid dat zich bij de stukken van de zaak een afschrift bevindt van een nadien gedateerde, aan de verdachte geadresseerde en door een opsporingsambtenaar ondertekende brief houdende de uitslag van het bloedonderzoek bewijst niet dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat dit afschrift in het digitale dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde digitale document als het proces-verbaal komt voor de vraag of het onderhavige voorschrift is nageleefd geen betekenis toe. Vrijspraak. Rolnummer: 22-001563-23 Parketnummer: 96-120691-22 Datum uitspraak: 11 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,00, subsidiair 13 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 4 april 2021 te Rotterdam, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,4 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het aan hem tenlastegelegde. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Het hof stelt voorop dat van een “onderzoek”, zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (ECLI:NL:HR:2020:1684). Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), neergelegde voorschrift dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek (ECLI:NL:HR:2021:1793). In deze zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de genoemde kennisgeving niet heeft ontvangen, terwijl niet blijkt dat deze kennisgeving is gedaan. Aan de orde is derhalve de vraag of uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving is gedaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Tot de stukken behoort het proces-verbaal onder nummer PL1700-2021102313-1. Dit proces-verbaal behelst het in deze zaak verrichte opsporingsonderzoek, waaronder de bij verdachte op 4 april 2021 verrichte bloedafname, en is afgesloten op 4 april 2021. Het proces-verbaal bevat aangaande de door het hof te beantwoorden vraag het volgende: Uitslag bloedonderzoek Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal. Bij de stukken van de zaak bevindt zich voorts een afschrift van een aan de verdachte geadresseerde brief d.d. 20 april 2021 met als onderwerp “Uitslag bloedonderzoek”. Gezien de inhoud heeft deze brief de kennelijke strekking te voldoen aan artikel 17 van het Besluit, maar hieruit kan hoogstens worden afgeleid dat op 20 april 2021 een brief van die inhoud tot stand is gebracht en door een - overigens niet met name genoemde - opsporingsambtenaar is ondertekend. Niet is gebleken dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. De verdachte heeft ontkend een brief met deze inhoud te hebben ontvangen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken van een (aanvullend of nader) proces-verbaal dat inhoudt dat een dergelijke brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat deze brief in het digitaal dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde document als het hiervoor genoemde proces-verbaal komt geen betekenis toe, nu die brief terecht geen deel uitmaakt van de bijlagen bij dat immers reeds op 4 april 2021 afgesloten proces-verbaal. Dat de brief is ondertekend door “De opsporingsambtenaar van Politie” legt ook geen gewicht in de schaal, nu uit de ondertekening van een brief niet zonder meer kan worden opgemaakt dat deze is verzonden. Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving aan de verdachte is toegezonden, kan niet worden bewezen dat een tot de strikte waarborgen, waarmee het in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde en in de tenlastelegging genoemde onderzoek is omringd, behorend voorschrift is nageleefd. Daaruit vloeit voort dat de verdachte van het hem tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 mei 2022 onder CJIB nummer [CJIB nummer] . Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, als voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:495 text/xml public 2026-04-02T11:29:31 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-11 22-001563-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:495 text/html public 2026-04-02T11:28:56 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:495 Gerechtshof Den Haag , 11-03-2026 / 22-001563-23 Bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Schriftelijke in kennisstelling van het resultaat als voorgeschreven in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer behoort tot de strikte waarborgen waarmee dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan is omringd. Ter weerlegging van het op de stelling dat de verdachte de voorgeschreven kennisgeving niet heeft ontvangen gebaseerde verweer dat aan dit voorschrift niet is voldaan, is onvoldoende dat het voorafgaand aan verzending van deze kennisgeving reeds afgesloten proces-verbaal van opsporingsonderzoek de zinsnede bevat “Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal”. De omstandigheid dat zich bij de stukken van de zaak een afschrift bevindt van een nadien gedateerde, aan de verdachte geadresseerde en door een opsporingsambtenaar ondertekende brief houdende de uitslag van het bloedonderzoek bewijst niet dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat dit afschrift in het digitale dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde digitale document als het proces-verbaal komt voor de vraag of het onderhavige voorschrift is nageleefd geen betekenis toe. Vrijspraak. Rolnummer: 22-001563-23 Parketnummer: 96-120691-22 Datum uitspraak: 11 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 650,00, subsidiair 13 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 4 april 2021 te Rotterdam, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,4 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het aan hem tenlastegelegde. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Het hof stelt voorop dat van een “onderzoek”, zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (ECLI:NL:HR:2020:1684). Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), neergelegde voorschrift dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek (ECLI:NL:HR:2021:1793). In deze zaak heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de genoemde kennisgeving niet heeft ontvangen, terwijl niet blijkt dat deze kennisgeving is gedaan. Aan de orde is derhalve de vraag of uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving is gedaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Tot de stukken behoort het proces-verbaal onder nummer [nummer] . Dit proces-verbaal behelst het in deze zaak verrichte opsporingsonderzoek, waaronder de bij verdachte op 4 april 2021 verrichte bloedafname, en is afgesloten op 4 april 2021. Het proces-verbaal bevat aangaande de door het hof te beantwoorden vraag het volgende: Uitslag bloedonderzoek Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal. Bij de stukken van de zaak bevindt zich voorts een afschrift van een aan de verdachte geadresseerde brief d.d. 20 april 2021 met als onderwerp “Uitslag bloedonderzoek”. Gezien de inhoud heeft deze brief de kennelijke strekking te voldoen aan artikel 17 van het Besluit, maar hieruit kan hoogstens worden afgeleid dat op 20 april 2021 een brief van die inhoud tot stand is gebracht en door een - overigens niet met name genoemde - opsporingsambtenaar is ondertekend. Niet is gebleken dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. De verdachte heeft ontkend een brief met deze inhoud te hebben ontvangen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken van een (aanvullend of nader) proces-verbaal dat inhoudt dat een dergelijke brief ook daadwerkelijk is verzonden. Aan de omstandigheid dat deze brief in het digitaal dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde document als het hiervoor genoemde proces-verbaal komt geen betekenis toe, nu die brief terecht geen deel uitmaakt van de bijlagen bij dat immers reeds op 4 april 2021 afgesloten proces-verbaal. Dat de brief is ondertekend door “De opsporingsambtenaar van Politie” legt ook geen gewicht in de schaal, nu uit de ondertekening van een brief niet zonder meer kan worden opgemaakt dat deze is verzonden. Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat de in artikel 17 van het Besluit voorgeschreven kennisgeving aan de verdachte is toegezonden, kan niet worden bewezen dat een tot de strikte waarborgen, waarmee het in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 bedoelde en in de tenlastelegging genoemde onderzoek is omringd, behorend voorschrift is nageleefd. Daaruit vloeit voort dat de verdachte van het hem tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 mei 2022 onder CJIB nummer [CJIB nummer] . Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, als voorzitter, en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2026.