BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 5
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Het is verboden op te stijgen van of te landen op een luchtvaartterrein onder weersomstandigheden beneden de weerminima die door het bevoegde gezag of bij afwezigheid van dergelijke weerminima, door de gezagvoerder voor dat terrein zijn vastgesteld.
2. Bij de aanvang van een IFR-vlucht moeten de tijdens het opstijgen en de kruisvlucht te verwachten waarden van zicht en wolkenbasis zodanig zijn, dat bij het uitvallen van een voortstuwingsinrichting het vliegtuig zonder onnodige schade aan derden te berokkenen tot stilstand kan worden gebracht dan wel, dat met de nog in werking zijnde voortstuwingsinrichting(en) een veilige vlieghoogte kan worden gehandhaafd, rekening houdend met terreinomstandigheden en hindernissen.
2. Bij de aanvang van een IFR-vlucht moeten de tijdens het opstijgen en de kruisvlucht te verwachten waarden van zicht en wolkenbasis zodanig zijn, dat bij het uitvallen van een voortstuwingsinrichting het vliegtuig zonder onnodige schade aan derden te berokkenen tot stilstand kan worden gebracht dan wel, dat met de nog in werking zijnde voortstuwingsinrichting(en) een veilige vlieghoogte kan worden gehandhaafd, rekening houdend met terreinomstandigheden en hindernissen.