BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 16
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Het vliegtuig moet zijn uitgerust met een zit- of ligplaats voor iedere persoon van twee jaar of ouder. Voor kinderen tot zeven jaar kan door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden toegestaan om hiervan af te wijken.
2. Aan boord van het vliegtuig moeten aanwezig zijn:
a. de bijgewerkte en geschikte luchtvaartkaarten voor de route, waarover de vlucht zal voeren, alsmede kaarten voor alle routes waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht, dat de vlucht hierover zal voeren, indien van de voorgenomen route zal moeten worden afgeweken;
b. bij een vlucht naar het buitenland en lijst van te geven zichtbare seinen, door onderscheppende en onderschepte luchtvaartuigen.
3. Wanneer het vliegtuig is uitgerust met smeltzekeringen moeten er minstens 50% reservesmeltzekeringen van elke waarde aan boord zijn, doch niet minder dan één van elke waarde, ter vervanging van die smeltzekeringen die bereikbaar zijn tijdens de vlucht.
4. Indien op de romp van het vliegtuig de plaatsen, welke geschikt zijn om in noodgevallen door reddingsploegen te worden opengehakt, worden aangegeven, moet dit geschieden overeenkomstig de onderstaande tekening. De kleur van merktekens moet rood of geel zijn. Indien dit nodig is om voldoende contrast met de achtergrond op te leveren, moeten zij met wit zijn omlijnd. Indien de onderlinge afstand van de hoekmerktekens meer dan 200 cm bedraagt moeten hiertussen de merktekens van 9 × 3 cm, als aangegeven in de tekening zodanig worden aangebracht, dat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens niet meer dan 200 cm zal bedragen.
2. Aan boord van het vliegtuig moeten aanwezig zijn:
a. de bijgewerkte en geschikte luchtvaartkaarten voor de route, waarover de vlucht zal voeren, alsmede kaarten voor alle routes waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht, dat de vlucht hierover zal voeren, indien van de voorgenomen route zal moeten worden afgeweken;
b. bij een vlucht naar het buitenland en lijst van te geven zichtbare seinen, door onderscheppende en onderschepte luchtvaartuigen.
3. Wanneer het vliegtuig is uitgerust met smeltzekeringen moeten er minstens 50% reservesmeltzekeringen van elke waarde aan boord zijn, doch niet minder dan één van elke waarde, ter vervanging van die smeltzekeringen die bereikbaar zijn tijdens de vlucht.
4. Indien op de romp van het vliegtuig de plaatsen, welke geschikt zijn om in noodgevallen door reddingsploegen te worden opengehakt, worden aangegeven, moet dit geschieden overeenkomstig de onderstaande tekening. De kleur van merktekens moet rood of geel zijn. Indien dit nodig is om voldoende contrast met de achtergrond op te leveren, moeten zij met wit zijn omlijnd. Indien de onderlinge afstand van de hoekmerktekens meer dan 200 cm bedraagt moeten hiertussen de merktekens van 9 × 3 cm, als aangegeven in de tekening zodanig worden aangebracht, dat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens niet meer dan 200 cm zal bedragen.