BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 9
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Een VFR-vlucht mag niet worden aangevangen tenzij de laatst beschikbare weersinformatie erop wijst, dat de weersomstandigheden zodanig zullen zijn en blijven dat het mogelijk zal zijn de vlucht uit te voeren als een VFR-vlucht.
2. Alvórens een IFR-vlucht aan te vangen moet de gezagvoerder voor het luchtvaartterrein van bestemming en de eventuele uitwijkhaven de weerminima en de minimum dalingshoogte of beslissingshoogte vaststellen voor elke gepubliceerde instrumentnaderingsprocedure die hij, gelet op de aanwezige boordapparatuur en de verwachte weersomstandigheden zou kunnen gebruiken. De weerminima moeten bestaan uit een waarde voor de wolkenbasis en een waarde voor het grondzicht. Deze waarden mogen niet lager zijn dan 60 m (200 ft) voor de wolkenbasis en 600 m voor het grondzicht, dan wel niet lager dan die, welke door het bevoegde gezag van de Staat, binnen welks gebied het luchtvaartterrein is gelegen, voor dat terrein zijn vastgesteld, tenzij dit gezag een zodanige afwijking uitdrukkelijk heeft goedgevonden.
De beslissingshoogte dan wel de minimum dalingshoogte mag in geen geval lager zijn dan de door het bevoegde gezag van de staat, waarin het luchtvaartterrein is gelegen gepubliceerde minimum hindernisvrije hoogte.
3. Een IFR-vlucht, waarbij een uitwijkhaven is aangegeven, mag niet worden aangevangen, tenzij de laatst beschikbare weersinformatie erop wijst, dat de weersomstandigheden op het luchtvaartterrein van bestemming en op tenminste één uitwijkhaven op de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan tenminste gelijk zullen zijn aan de voor deze luchtvaartterreinen bepaalde weerminima.
4. Een IFR-vlucht, waarbij geen uitwijkhaven is aangegeven, mag niet worden aangevangen, tenzij;
a. een instrumentnaderingsprocedure is vastgesteld voor het luchtvaartterrein van bestemming en
b. de laatst beschikbare weersinformatie erop wijst dat gedurende de periode van 2 uur na de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan: 1e. de wolkenbasis tenminste 300 m (1000 voet) hoger is dan het minimum behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure en
2e. het grondzicht tenminste 5,5 km bedraagt dan wel 4 km meer is dan het minimum grondzicht behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure.
1e. de wolkenbasis tenminste 300 m (1000 voet) hoger is dan het minimum behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure en
2e. het grondzicht tenminste 5,5 km bedraagt dan wel 4 km meer is dan het minimum grondzicht behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure.
5. Een vlucht mag niet worden voortgezet naar het luchtvaartterrein van bestemming tenzij de laatst beschikbare weersinformatie aangeeft dat de weersomstandigheden op dit luchtvaartterrein of op tenminste één uitwijkhaven op de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan tenminste gelijk zijn aan de voor die luchtvaartterreinen vastgestelde weerminima.
6. Het is verboden een luchtvaartterrein beneden de minimum dalingshoogte aan te vliegen of de nadering beneden de beslissingshoogte voort te zetten, tenzij;
a. het vliegtuig in een positie verkeert van waaruit een daling met een normale daalsnelheid naar de landingsbaan kan worden gemaakt en
b. de naderingsverlichting, de landingsbaandrempel of andere markeringen, die het begin van de landingsbaan aangeven, herkenbaar zijn.
7. Wanneer het punt van de afgebroken nadering of de beslissingshoogte wordt bereikt dan wel wanneer op enig willekeurig tijdstip daarna aan één van de in het zesde lid genoemde voorwaarden niet kan worden voldaan, moet de gezagvoerder onmiddellijk de toepasselijke afgebroken naderingsprocedure uitvoeren.
2. Alvórens een IFR-vlucht aan te vangen moet de gezagvoerder voor het luchtvaartterrein van bestemming en de eventuele uitwijkhaven de weerminima en de minimum dalingshoogte of beslissingshoogte vaststellen voor elke gepubliceerde instrumentnaderingsprocedure die hij, gelet op de aanwezige boordapparatuur en de verwachte weersomstandigheden zou kunnen gebruiken. De weerminima moeten bestaan uit een waarde voor de wolkenbasis en een waarde voor het grondzicht. Deze waarden mogen niet lager zijn dan 60 m (200 ft) voor de wolkenbasis en 600 m voor het grondzicht, dan wel niet lager dan die, welke door het bevoegde gezag van de Staat, binnen welks gebied het luchtvaartterrein is gelegen, voor dat terrein zijn vastgesteld, tenzij dit gezag een zodanige afwijking uitdrukkelijk heeft goedgevonden.
De beslissingshoogte dan wel de minimum dalingshoogte mag in geen geval lager zijn dan de door het bevoegde gezag van de staat, waarin het luchtvaartterrein is gelegen gepubliceerde minimum hindernisvrije hoogte.
3. Een IFR-vlucht, waarbij een uitwijkhaven is aangegeven, mag niet worden aangevangen, tenzij de laatst beschikbare weersinformatie erop wijst, dat de weersomstandigheden op het luchtvaartterrein van bestemming en op tenminste één uitwijkhaven op de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan tenminste gelijk zullen zijn aan de voor deze luchtvaartterreinen bepaalde weerminima.
4. Een IFR-vlucht, waarbij geen uitwijkhaven is aangegeven, mag niet worden aangevangen, tenzij;
a. een instrumentnaderingsprocedure is vastgesteld voor het luchtvaartterrein van bestemming en
b. de laatst beschikbare weersinformatie erop wijst dat gedurende de periode van 2 uur na de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan: 1e. de wolkenbasis tenminste 300 m (1000 voet) hoger is dan het minimum behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure en
2e. het grondzicht tenminste 5,5 km bedraagt dan wel 4 km meer is dan het minimum grondzicht behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure.
1e. de wolkenbasis tenminste 300 m (1000 voet) hoger is dan het minimum behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure en
2e. het grondzicht tenminste 5,5 km bedraagt dan wel 4 km meer is dan het minimum grondzicht behorende bij de van toepassing zijnde instrumentnaderingsprocedure.
5. Een vlucht mag niet worden voortgezet naar het luchtvaartterrein van bestemming tenzij de laatst beschikbare weersinformatie aangeeft dat de weersomstandigheden op dit luchtvaartterrein of op tenminste één uitwijkhaven op de verwachte tijd van aankomst volgens het vliegplan tenminste gelijk zijn aan de voor die luchtvaartterreinen vastgestelde weerminima.
6. Het is verboden een luchtvaartterrein beneden de minimum dalingshoogte aan te vliegen of de nadering beneden de beslissingshoogte voort te zetten, tenzij;
a. het vliegtuig in een positie verkeert van waaruit een daling met een normale daalsnelheid naar de landingsbaan kan worden gemaakt en
b. de naderingsverlichting, de landingsbaandrempel of andere markeringen, die het begin van de landingsbaan aangeven, herkenbaar zijn.
7. Wanneer het punt van de afgebroken nadering of de beslissingshoogte wordt bereikt dan wel wanneer op enig willekeurig tijdstip daarna aan één van de in het zesde lid genoemde voorwaarden niet kan worden voldaan, moet de gezagvoerder onmiddellijk de toepasselijke afgebroken naderingsprocedure uitvoeren.