BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 20
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Tijdens een IFR-vlucht moet een radio-installatie aanwezig zijn die met ingang van 1 januari 2001 ten minste voldoet aan de normen in deel I van Boek I van Bijlage 10 (Aeronautical Telecommunications) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, opdat;
a. tijdens de vlucht een tweezijdige radioverbinding kan worden onderhouden met de luchtverkeersdiensten op frequenties als door het ter plaatse bevoegde gezag zijn voorgeschreven;
b. tijdens de vlucht weerinformatie kan worden ontvangen;
c. radioberichten kunnen worden gewisseld op de internationale noodfrequentie 121,5 MHz.
2. Tijdens een VFR-vlucht, waaraan verkeersleiding wordt gegeven (een gecontroleerde VFR-vlucht) moet tenminste een zodanige telecommunicatieinstallatie aanwezig zijn dat te allen tijde de in het eerste lid onder a bedoelde radioverbinding kan worden onderhouden.
3. Indien de in het eerste lid onder a en b voorgeschreven radioverbinding op VHF dient te worden onderhouden, moet de installatie tenminste dubbel zijn uitgevoerd.
4. Indien, teneinde aan het gestelde in het eerste lid te voldoen, meer dan één communicatie-installatie is vereist, dienen deze zodanig onafhankelijk van elkaar te zijn, dat het falen van één installatie niet het falen van enige andere installatie tot gevolg heeft.
5. Tijdens een vlucht over watervlakten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, of een vlucht over gebieden, waar opsporing en redding bijzondere moeilijkheden opleveren, als bedoeld in artikel 18, moet worden voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel onder a en c.
a. tijdens de vlucht een tweezijdige radioverbinding kan worden onderhouden met de luchtverkeersdiensten op frequenties als door het ter plaatse bevoegde gezag zijn voorgeschreven;
b. tijdens de vlucht weerinformatie kan worden ontvangen;
c. radioberichten kunnen worden gewisseld op de internationale noodfrequentie 121,5 MHz.
2. Tijdens een VFR-vlucht, waaraan verkeersleiding wordt gegeven (een gecontroleerde VFR-vlucht) moet tenminste een zodanige telecommunicatieinstallatie aanwezig zijn dat te allen tijde de in het eerste lid onder a bedoelde radioverbinding kan worden onderhouden.
3. Indien de in het eerste lid onder a en b voorgeschreven radioverbinding op VHF dient te worden onderhouden, moet de installatie tenminste dubbel zijn uitgevoerd.
4. Indien, teneinde aan het gestelde in het eerste lid te voldoen, meer dan één communicatie-installatie is vereist, dienen deze zodanig onafhankelijk van elkaar te zijn, dat het falen van één installatie niet het falen van enige andere installatie tot gevolg heeft.
5. Tijdens een vlucht over watervlakten als bedoeld in artikel 17, tweede lid, of een vlucht over gebieden, waar opsporing en redding bijzondere moeilijkheden opleveren, als bedoeld in artikel 18, moet worden voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel onder a en c.