BWBR0004852
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 7
Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten
1. Voor de aanvang van een vlucht moet de gezagvoerder zich ervan hebben overtuigd dat:
a. het vliegtuig in luchtwaardige toestand verkeert;
b. het vliegtuig is voorzien van de in deze regeling voorgeschreven instrumenten, installaties, uitrusting en voorzieningen waarbij de te verwachten vluchtomstandigheden in beschouwing moeten worden genomen;
c. het vliegtuig binnen de in het vlieghandboek gestelde gebruiksgrenzen is beladen en de lading veilig is gestuwd en gesjord;
d. de in het vlieghandboek vermelde gebruiksgrenzen niet zullen worden overschreden.
2. a. Tijdens de vlucht moet aan boord van het vliegtuig een doelmatige stuurhutcontrolelijst onder het onmiddellijke bereik van de bestuurder aanwezig zijn: deze lijst moet de controles vermelden, die vóór, tijdens en na de vlucht en in noodgevallen moeten worden uitgevoerd, zoals aangegeven in het vlieghandboek;
a. de gezagvoerder moet er voor zorgen, dat de onder a bedoelde controles overeenkomstig de stuurhutcontrolelijst worden uitgevoerd.
3. Ongeacht de luchtwaardigheidseisen met betrekking tot veiligheidstuig, welke voor de eerste afgifte van het Nederlands bewijs van Luchtwaardigheid op het luchtvaartuig van toepassing waren, moeten de voorste zitplaatsen van het luchtvaartuig tenminste zijn uitgerust met driepunts- of vierpuntsveiligheidstuig.
a. het vliegtuig in luchtwaardige toestand verkeert;
b. het vliegtuig is voorzien van de in deze regeling voorgeschreven instrumenten, installaties, uitrusting en voorzieningen waarbij de te verwachten vluchtomstandigheden in beschouwing moeten worden genomen;
c. het vliegtuig binnen de in het vlieghandboek gestelde gebruiksgrenzen is beladen en de lading veilig is gestuwd en gesjord;
d. de in het vlieghandboek vermelde gebruiksgrenzen niet zullen worden overschreden.
2. a. Tijdens de vlucht moet aan boord van het vliegtuig een doelmatige stuurhutcontrolelijst onder het onmiddellijke bereik van de bestuurder aanwezig zijn: deze lijst moet de controles vermelden, die vóór, tijdens en na de vlucht en in noodgevallen moeten worden uitgevoerd, zoals aangegeven in het vlieghandboek;
a. de gezagvoerder moet er voor zorgen, dat de onder a bedoelde controles overeenkomstig de stuurhutcontrolelijst worden uitgevoerd.
3. Ongeacht de luchtwaardigheidseisen met betrekking tot veiligheidstuig, welke voor de eerste afgifte van het Nederlands bewijs van Luchtwaardigheid op het luchtvaartuig van toepassing waren, moeten de voorste zitplaatsen van het luchtvaartuig tenminste zijn uitgerust met driepunts- of vierpuntsveiligheidstuig.