BWBR0004172
Geldig vanaf 1987-07-20
Artikel 9
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat hij in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
2. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende en er in één of meer dienstbetrekkingen geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat hij in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
3. De artikelen 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en derde tot en met zesde lid, 5en 6, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het arbeidsurenverlies intreedt binnen 52 kalender- of loonweken na afloop van perioden, waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt bij de overeenkomstige toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, de periode van 52 kalender- of loonweken met deze perioden verlengd.
2. Indien de werknemer niet een bepaald beroep gewoonlijk uitoefende en er in één of meer dienstbetrekkingen geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat hij in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
3. De artikelen 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en derde tot en met zesde lid, 5en 6, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Indien het arbeidsurenverlies intreedt binnen 52 kalender- of loonweken na afloop van perioden, waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt bij de overeenkomstige toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, de periode van 52 kalender- of loonweken met deze perioden verlengd.