BWBR0004172
Geldig vanaf 1987-07-20
Artikel 16
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Met uitsluiting van het bepaalde in de artikelen 9, 13a, 14en 15wordt het dagloon van de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden, berekend met toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen, echter met dien verstande, dat:
a. in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 onder beroep wordt verstaan het beroep, dat de werknemer uitoefende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. bij toepassing van deze artikelen de aanhef van artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste tot en met derde lid, respectievelijk worden vervangen door de volgende bepalingen: 1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid – gelet op het loon, dat de werknemer in de periode van werkloosheid in zijn beroep zou kunnen verdienen – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf, in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid – gelet op het loon, dat de werknemer in de periode van werkloosheid in zijn beroep zou kunnen verdienen – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf, in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.
a. in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 onder beroep wordt verstaan het beroep, dat de werknemer uitoefende in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden;
b. bij toepassing van deze artikelen de aanhef van artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste tot en met derde lid, respectievelijk worden vervangen door de volgende bepalingen: 1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid – gelet op het loon, dat de werknemer in de periode van werkloosheid in zijn beroep zou kunnen verdienen – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf, in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de kalender- of loonweek aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in zijn laatste dienstbetrekking werkzaam was.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste lid – gelet op het loon, dat de werknemer in de periode van werkloosheid in zijn beroep zou kunnen verdienen – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf, in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de in het eerste lid bedoelde periode in het beroep van de werknemer gemiddeld hebben genoten over in die periode gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren.