BWBR0004172
Geldig vanaf 1987-07-20
Artikel 4
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de 26 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:
a. indien en zodra de dienstbetrekking niet voortduurt, een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering die het karakter heeft van een 13e maandloon of een eindejaarsuitkering, voorzover de werknemer tijdens de duur van het dienstverband tegenover zijn werkgever recht had op deze uitkering, wordt aangemerkt als loon, dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
b. indien en zodra de verplichting, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, eindigt, de werkgeversbijdrage in de premie van de particuliere ziektekostenverzekering wordt aangemerkt als loon, dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
c. de dagen, waarop hij ten gevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen;
e. onverminderd onderdeel c, dagen, waarop de werknemer niet heeft gewerkt en daarover onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft genoten, worden aangemerkt als dagen, waarop de werknemer heeft gewerkt.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de werknemer in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van toepassing.
3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer, voor wie bij het intreden van zijn arbeidsurenverlies een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, worden de woorden ‘het intreden van zijn werkloosheid’ gelezen als ‘de invoering van de regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd’. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet.
4. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer, op wie artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsurenvan toepassing is, worden de woorden ‘het intreden van zijn arbeidsurenverlies’ gelezen als ‘het eerste verlies van arbeidsuren’.
5. Het dagloon van de werknemer, op wie artikel 3 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsurenvan toepassing is, wordt vastgesteld op het dagloon, dat ten grondslag ligt aan de uitkering ter zake van zijn arbeidsurenverlies waarbij op grond van voormeld artikel een daaropvolgend arbeidsurenverlies wordt samengeteld.
6. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden weken, tot het maximum van 78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof als bedoeld in artikel I, onderdeel i, van de Werkloosheidswet heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager verdiend loon dan wanneer die weken wel in aanmerking zouden worden genomen.
a. indien en zodra de dienstbetrekking niet voortduurt, een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering die het karakter heeft van een 13e maandloon of een eindejaarsuitkering, voorzover de werknemer tijdens de duur van het dienstverband tegenover zijn werkgever recht had op deze uitkering, wordt aangemerkt als loon, dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
b. indien en zodra de verplichting, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, eindigt, de werkgeversbijdrage in de premie van de particuliere ziektekostenverzekering wordt aangemerkt als loon, dat in die periode over bedoelde dagen is genoten;
c. de dagen, waarop hij ten gevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen;
e. onverminderd onderdeel c, dagen, waarop de werknemer niet heeft gewerkt en daarover onverminderde doorbetaling van zijn loon heeft genoten, worden aangemerkt als dagen, waarop de werknemer heeft gewerkt.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de werknemer in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a tot en met e, van toepassing.
3. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer, voor wie bij het intreden van zijn arbeidsurenverlies een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, worden de woorden ‘het intreden van zijn werkloosheid’ gelezen als ‘de invoering van de regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd’. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet.
4. Bij toepassing van het eerste en tweede lid ten aanzien van de werknemer, op wie artikel 2 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsurenvan toepassing is, worden de woorden ‘het intreden van zijn arbeidsurenverlies’ gelezen als ‘het eerste verlies van arbeidsuren’.
5. Het dagloon van de werknemer, op wie artikel 3 van het Besluit nadere regeling verlies van arbeidsurenvan toepassing is, wordt vastgesteld op het dagloon, dat ten grondslag ligt aan de uitkering ter zake van zijn arbeidsurenverlies waarbij op grond van voormeld artikel een daaropvolgend arbeidsurenverlies wordt samengeteld.
6. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden weken, tot het maximum van 78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof als bedoeld in artikel I, onderdeel i, van de Werkloosheidswet heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager verdiend loon dan wanneer die weken wel in aanmerking zouden worden genomen.