BWBR0004172
Geldig vanaf 1987-07-20
Artikel 12
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Het dagloon van een werknemer die laatstelijk uitsluitend of vrijwel uitsluitend in een seizoen of een gedeelte daarvan werkzaam was, wordt vastgesteld met toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen, met uitzondering van het bepaalde in artikel 10.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het dagloon van de in dat lid bedoelde werknemer over de dagen, die buiten het seizoen zijn gelegen, vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet, die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt het loon vastgesteld, dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal, in de volledige salarisbetalingsperioden in de in onderdeel a bedoelde periode van 52 kalender- of loonweken, gewerkte dagen en het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in die 52 kalender- of loonweken, waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking met heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over de in die volledige salarisbetalingsperioden gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht: 10 het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b, en
20 de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden;
10 het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b, en
20 de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden;
3. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt het dagloon van de in het eerste lid bedoelde werknemer over de dagen, die buiten het seizoen zijn gelegen, in afwijking van dat lid vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet, die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt vastgesteld het loon, dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal gewerkte dagen en het aantal dagen, waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat bij gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht het aantal dagen waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer wiens dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ertoe strekt dat al dan niet onder handhaving van die dienstbetrekking in steeds terugkerende perioden bij dezelfde werkgever wordt gewerkt.
5. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer, wiens beroep is musicus of artiest.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het dagloon van de in dat lid bedoelde werknemer over de dagen, die buiten het seizoen zijn gelegen, vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet, die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt het loon vastgesteld, dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal, in de volledige salarisbetalingsperioden in de in onderdeel a bedoelde periode van 52 kalender- of loonweken, gewerkte dagen en het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in die 52 kalender- of loonweken, waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking met heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat hij gemiddeld heeft genoten over de in die volledige salarisbetalingsperioden gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht: 10 het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b, en
20 de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden;
10 het aantal dagen in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b, en
20 de werkdagen in niet volledige salarisbetalingsperioden;
3. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt het dagloon van de in het eerste lid bedoelde werknemer over de dagen, die buiten het seizoen zijn gelegen, in afwijking van dat lid vastgesteld op de navolgende wijze:
a. in aanmerking wordt genomen elke dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet, die de werknemer heeft vervuld in de 52 kalender- of loonweken aan het intreden van zijn werkloosheid onmiddellijk voorafgaande;
b. per dienstbetrekking wordt vastgesteld het loon, dat de werknemer had kunnen verdienen, door de som van het aantal gewerkte dagen en het aantal dagen, waarop hij als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil in de desbetreffende dienstbetrekking niet heeft gewerkt, te vermenigvuldigen met het loon dat bij gemiddeld heeft genoten over in die periode gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem in die dienstbetrekking normale werktijd werkzaam was;
c. het dagloon wordt vastgesteld door de som van de op grond van onderdeel b vastgestelde lonen te delen door 260, waarop in mindering wordt gebracht het aantal dagen waarop de werknemer als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil niet heeft gewerkt, behoudens voorzover die dagen zijn betrokken in de berekening als vermeld in onderdeel b.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de werknemer wiens dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ertoe strekt dat al dan niet onder handhaving van die dienstbetrekking in steeds terugkerende perioden bij dezelfde werkgever wordt gewerkt.
5. Artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en d, en vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer, wiens beroep is musicus of artiest.