BWBR0004172
Geldig vanaf 1987-07-20
Artikel 6
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
1. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 4, eerste lid, en 5– gelet op het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, en 5uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in die periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 4, tweede lid, en 5– gelet op het loon, dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 5uitgegaan van het loon, dat de werknemer in die periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
3. Het eerste of tweede lid vindt in ieder geval toepassing, indien de werknemer, in de 26 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 4, tariefdiensten heeft genoten, die, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste of tweede lid, al dan niet op grond van de eerste volzin, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
4. Indien de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste lid, niet op tenminste 20 dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het eerste en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en artikel 5, zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
5. Indien de werknemer in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het tweede lid, niet op tenminste 20 dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en artikel 5, zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot en met vijfde lid en in artikel 4, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
2. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 4, tweede lid, en 5– gelet op het loon, dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken, aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag in zijn beroep placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 4, tweede lid, en 5uitgegaan van het loon, dat de werknemer in die periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking in zijn beroep heeft genoten.
3. Het eerste of tweede lid vindt in ieder geval toepassing, indien de werknemer, in de 26 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 4, tariefdiensten heeft genoten, die, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het eerste of tweede lid, al dan niet op grond van de eerste volzin, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
4. Indien de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste lid, niet op tenminste 20 dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het eerste en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en artikel 5, zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
5. Indien de werknemer in de periode van 52 kalender- of loonweken, bedoeld in het tweede lid, niet op tenminste 20 dagen heeft gewerkt, wordt het loon, bedoeld in artikel 4, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 26 kalender- of loonweken, aan het intreden van het arbeidsurenverlies van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in diens beroep gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd in diens beroep werkzaam waren. Het tweede en derde lid, artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en artikel 5, zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer arbeidsuren hadden verloren.
6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot en met vijfde lid en in artikel 4, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.