BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 43
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. De concentratie aan stof in rookgas wordt bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 100 MW of meer bepaald door middel van continue meting.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft in de volgende gevallen geen continue meting plaats te vinden en is het derde lid van overeenkomstige toepassing:
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 300 MW en zal na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf worden gesteld;
b. de stookinstallatie is een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie die, of een procesfornuis dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
3. De concentratie aan stof in rookgas wordt bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 100 MW bepaald door middel van een afzonderlijke meting, tenzij:
a. continue meting plaatsvindt of
b. de stookinstallatie een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie is die, of een procesfornuis is dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
4. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid wordt zo spoedig mogelijk nadat een emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing wordt, doch uiterlijk binnen vier weken na dat tijdstip, verricht. Indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie 50 MW of meer bedraagt, wordt een volgende afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid verricht:
a. indien de stookinstallatie minder dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit bedrijf is: uiterlijk zes maanden na de ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van zes maanden;
b. indien de stookinstallatie meer dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit bedrijf is: uiterlijk een jaar na de ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van een jaar.
5. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid wordt telkens wanneer een emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing wordt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken nadien verricht. Indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie 50 MW of meer bedraagt, wordt uiterlijk zes maanden na een ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van zes maanden een vervolgmeting verricht.
6. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid aan een rookgasontzwavelingsinstallatie wordt uitgevoerd bij een ontzwavelingsrendement van ten minste 85%.
7. De artikelen 13, vijfde lid, aanhef en onder c, en 33gelden als in acht genomen, indien in de stookinstallatie uitsluitend aardgas wordt gestookt.
8. De artikelen 34, 35en 36zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de concentratie aan stof in het rookgas.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft in de volgende gevallen geen continue meting plaats te vinden en is het derde lid van overeenkomstige toepassing:
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 300 MW en zal na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf worden gesteld;
b. de stookinstallatie is een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie die, of een procesfornuis dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
3. De concentratie aan stof in rookgas wordt bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 100 MW bepaald door middel van een afzonderlijke meting, tenzij:
a. continue meting plaatsvindt of
b. de stookinstallatie een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie is die, of een procesfornuis is dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
4. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid wordt zo spoedig mogelijk nadat een emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing wordt, doch uiterlijk binnen vier weken na dat tijdstip, verricht. Indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie 50 MW of meer bedraagt, wordt een volgende afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid verricht:
a. indien de stookinstallatie minder dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit bedrijf is: uiterlijk zes maanden na de ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van zes maanden;
b. indien de stookinstallatie meer dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit bedrijf is: uiterlijk een jaar na de ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van een jaar.
5. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid wordt telkens wanneer een emissie-eis op de stookinstallatie van toepassing wordt, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken nadien verricht. Indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie 50 MW of meer bedraagt, wordt uiterlijk zes maanden na een ingevolge de eerste volzin verrichte eerste afzonderlijke meting en vervolgens telkens na afloop van een periode van zes maanden een vervolgmeting verricht.
6. Een afzonderlijke meting als bedoeld in het derde lid aan een rookgasontzwavelingsinstallatie wordt uitgevoerd bij een ontzwavelingsrendement van ten minste 85%.
7. De artikelen 13, vijfde lid, aanhef en onder c, en 33gelden als in acht genomen, indien in de stookinstallatie uitsluitend aardgas wordt gestookt.
8. De artikelen 34, 35en 36zijn van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de concentratie aan stof in het rookgas.