BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 20a
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Artikel 20is niet van toepassing op een bestaande gasturbine of een bestaande gasturbine-installatie.
2. Een bestaande gasturbine of gasturbine-installatie wordt, indien deze na 31 december 1989 tenminste nog 25000 uren in bedrijf zal zijn, zodanig gebruikt, dat, teruggerekend op ISO-luchtcondities, de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas, betrokken op de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, niet meer bedraagt dan:
a. voor een gasturbine: 200 g/GJ;
b. voor een gasturbine-installatie: 135 g/GJ;
vermenigvuldigd met een factor gelijk aan eendertigste van het gasturbinerendement.
3. Bij toepassing van het tweede lid wordt een vermenigvuldigingsfactor die kleiner is dan een, gesteld op een.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt, indien in een gasturbine of gasturbine-installatie andere gasvormige brandstoffen dan aardgas van standaardkwaliteit worden gestookt, de factor, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, tot een verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, met dien verstande dat de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 1,1 bedraagt.
5. Voor een bestaande gasturbine-installatie, niet behorend tot een elektriciteits-produktiebedrijf, geldt, indien deze na 31 december 1993 tenminste nog 25000 uren in bedrijf zal zijn, in plaats van de in het tweede lid, onder <em>b</em>, vermelde waarde van 135 g/GJ een waarde van 65 g/GJ.
2. Een bestaande gasturbine of gasturbine-installatie wordt, indien deze na 31 december 1989 tenminste nog 25000 uren in bedrijf zal zijn, zodanig gebruikt, dat, teruggerekend op ISO-luchtcondities, de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas, betrokken op de warmte-inhoud van de toegevoerde brandstof, niet meer bedraagt dan:
a. voor een gasturbine: 200 g/GJ;
b. voor een gasturbine-installatie: 135 g/GJ;
vermenigvuldigd met een factor gelijk aan eendertigste van het gasturbinerendement.
3. Bij toepassing van het tweede lid wordt een vermenigvuldigingsfactor die kleiner is dan een, gesteld op een.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt, indien in een gasturbine of gasturbine-installatie andere gasvormige brandstoffen dan aardgas van standaardkwaliteit worden gestookt, de factor, vermeld in het tweede lid, vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ/kg, tot een verbrandingswaarde van 38 MJ/kg, met dien verstande dat de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 1,1 bedraagt.
5. Voor een bestaande gasturbine-installatie, niet behorend tot een elektriciteits-produktiebedrijf, geldt, indien deze na 31 december 1993 tenminste nog 25000 uren in bedrijf zal zijn, in plaats van de in het tweede lid, onder <em>b</em>, vermelde waarde van 135 g/GJ een waarde van 65 g/GJ.