BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 17
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt, dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. voor stookinstallaties, behorend tot een elektriciteitsproductiebedrijf: 1°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
1°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
b. voor stookinstallaties niet behorend tot een elektriciteitsproduktiebedrijf 1°. 150 mg/m3,
2°. zodra de branders op of na 1 mei 1998 worden vervangen: 70 mg/m3, bij stookinstallaties met een thermisch vermogen van 10 MW of minder waarin de warmte wordt overgedragen aan water, stoom of thermische olie.
1°. 150 mg/m3,
2°. zodra de branders op of na 1 mei 1998 worden vervangen: 70 mg/m3, bij stookinstallaties met een thermisch vermogen van 10 MW of minder waarin de warmte wordt overgedragen aan water, stoom of thermische olie.
2. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn uit een raffinaderij, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 800 mg/m3, ingeval het gas betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van de omzetting van raffinageresiduen in petroleumcokes;
b. 35 mg/m3, ingeval het andere dan de onder a bedoelde gassen betreft.
3. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen, anders dan bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 400 milligram per normaal kubieke meter, voor cokesovengas;
b. 150 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 5 milligram per normaal kubieke meter, voor vloeibaar gemaakt gas, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft;
d. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor oxygas, en
e. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor overige gasvormige brandstoffen, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft.
4. Bij het gebruik van aardgas in combinatie met een of meer andere brandstoffen wordt voor de berekening van de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas een waarde van 35 mg/m 3gehanteerd.
5. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter als regel;
b. 10 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 20 milligram per normaal kubieke meter, voor door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt en dat niet is aan te merken als hoogovengas.
a. voor stookinstallaties, behorend tot een elektriciteitsproductiebedrijf: 1°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
1°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
b. voor stookinstallaties niet behorend tot een elektriciteitsproduktiebedrijf 1°. 150 mg/m3,
2°. zodra de branders op of na 1 mei 1998 worden vervangen: 70 mg/m3, bij stookinstallaties met een thermisch vermogen van 10 MW of minder waarin de warmte wordt overgedragen aan water, stoom of thermische olie.
1°. 150 mg/m3,
2°. zodra de branders op of na 1 mei 1998 worden vervangen: 70 mg/m3, bij stookinstallaties met een thermisch vermogen van 10 MW of minder waarin de warmte wordt overgedragen aan water, stoom of thermische olie.
2. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn uit een raffinaderij, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 800 mg/m3, ingeval het gas betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van de omzetting van raffinageresiduen in petroleumcokes;
b. 35 mg/m3, ingeval het andere dan de onder a bedoelde gassen betreft.
3. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen, anders dan bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 400 milligram per normaal kubieke meter, voor cokesovengas;
b. 150 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 5 milligram per normaal kubieke meter, voor vloeibaar gemaakt gas, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft;
d. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor oxygas, en
e. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor overige gasvormige brandstoffen, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft.
4. Bij het gebruik van aardgas in combinatie met een of meer andere brandstoffen wordt voor de berekening van de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas een waarde van 35 mg/m 3gehanteerd.
5. Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter als regel;
b. 10 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 20 milligram per normaal kubieke meter, voor door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt en dat niet is aan te merken als hoogovengas.