BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 27
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Het bevoegd gezag kan, indien voor een bestaande installatie op het tijdstip waarop ingevolge dit besluit een emissie-eis van toepassing wordt, reeds een strengere emissie-eis gold, die strengere emissie-eis met betrekking tot die installatie handhaven.
2. Het bevoegd gezag kan:
a. voor een stookinstallatie voor vaste brandstoffen andere dan kolen: 1°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, onder c, onder 3° of onder d, gestelde emissie-eis voor zwaveldioxide stellen doch niet strenger dan 250 mg/m3;
2°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 5 mg/m3;
1°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, onder c, onder 3° of onder d, gestelde emissie-eis voor zwaveldioxide stellen doch niet strenger dan 250 mg/m3;
2°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 5 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie voor kolen een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 20 mg/m3;
c. voor een stookinstallatie voor cokesovengas dat ontzwaveld is door een installatie waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend, een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder b, of 17, derde lid, onder a, gestelde emissie-eis stellen doch niet strenger dan 200 mg/m3;
d. voor een stookinstallatie voor hoogovengas een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder c, of 17, derde lid, onder b, gestelde emissie-eis stellen, doch niet strenger dan 120 mg/m3;
e. voor een gasturbine waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend een strengere emissie-eis dan de in artikel 20, eerste lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, indien deze strengere emissie-eis niet noodzaakt tot injectie van water, stoom of een ander inert materiaal, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 200 g/GJ door 65 g/GJ;
f. voor een gasturbine waarop artikel 20, eerste lid, onder b of d, van toepassing is een strengere eis dan de in dat lid gestelde eis stellen, doch niet strenger dan 45 g/GJ.
g. voor een gasturbine-installatie of voor een gasturbine waarop artikel 22 van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in artikel 20a, tweede lid, onder b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 135 g/GJ door 100 g/GJ;
h. voor een zuigermotor waarop artikel 23, eerste lid, onder a, onder 1°, of onder b, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in die artikelonderdelen gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 800 g/GJ door 270 g/GJ;
i. voor een zuigermotor waarop artikel 23, eerste lid, onder a, onder 2° of onder 3°, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in die artikelonderdelen gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarden van 270 g/GJ onderscheidenlijk 140 g/GJ door 100 g/GJ;
j. voor een zuigermotor waarop artikel 23, tweede lid, onder a of onder b, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in dat artikellid gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarden van 1200 g/GJ en 400 g/GJ door onderscheidenlijk 400 g/GJ en 150 g/GJ.
3. Het bevoegd gezag kan, indien de branders van een stookinstallatie worden vervangen:
a. voor een stookinstallatie voor zware stookolie een strengere emissie-eis dan de in artikel 12, derde lid, onder a, of vierde lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen doch niet strenger dan 400 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie voor vloeibare brandstoffen anders dan bedoeld in onderdeel a , een strengere emissie-eis dan de in artikel 12, derde lid, onder a of b, of vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan 200 mg/m3;
c. voor een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van meer dan 10 MW een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, tweede lid, onder a of b, derde lid, onder a of b, of vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan 150 mg/m3;
d. voor een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 10 MW of minder een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, derde lid, onder a, b of c, of vierde lid, onder a, b, of c, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan: 1°. 70 mg/m3, wanneer de overdracht van warmte geschiedt via water, stoom of thermische olie en
2°. 150 mg/m3 in de overige gevallen.
1°. 70 mg/m3, wanneer de overdracht van warmte geschiedt via water, stoom of thermische olie en
2°. 150 mg/m3 in de overige gevallen.
4. Het bevoegd gezag kan een strengere emissie-eis stellen dan een in dit besluit gestelde emissie-eis of dan met toepassing van het eerste, tweede of derde lid mogelijk is, indien:
a. de aanvrager of houder van een vergunning in staat en bereid is om aan die strengere emissie-eis te voldoen of
b. volgens de actuele stand der techniek aan die strengere emissie-eis kan worden voldaan, terwijl voor de betreffende stookinstallatie op grond van artikel 28 een minder strenge emissie-eis was voorgeschreven of voor een andere stookinstallatie in de inrichting is voorgeschreven.
2. Het bevoegd gezag kan:
a. voor een stookinstallatie voor vaste brandstoffen andere dan kolen: 1°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, onder c, onder 3° of onder d, gestelde emissie-eis voor zwaveldioxide stellen doch niet strenger dan 250 mg/m3;
2°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 5 mg/m3;
1°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, onder c, onder 3° of onder d, gestelde emissie-eis voor zwaveldioxide stellen doch niet strenger dan 250 mg/m3;
2°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 5 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie voor kolen een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 20 mg/m3;
c. voor een stookinstallatie voor cokesovengas dat ontzwaveld is door een installatie waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend, een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder b, of 17, derde lid, onder a, gestelde emissie-eis stellen doch niet strenger dan 200 mg/m3;
d. voor een stookinstallatie voor hoogovengas een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder c, of 17, derde lid, onder b, gestelde emissie-eis stellen, doch niet strenger dan 120 mg/m3;
e. voor een gasturbine waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend een strengere emissie-eis dan de in artikel 20, eerste lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, indien deze strengere emissie-eis niet noodzaakt tot injectie van water, stoom of een ander inert materiaal, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 200 g/GJ door 65 g/GJ;
f. voor een gasturbine waarop artikel 20, eerste lid, onder b of d, van toepassing is een strengere eis dan de in dat lid gestelde eis stellen, doch niet strenger dan 45 g/GJ.
g. voor een gasturbine-installatie of voor een gasturbine waarop artikel 22 van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in artikel 20a, tweede lid, onder b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 135 g/GJ door 100 g/GJ;
h. voor een zuigermotor waarop artikel 23, eerste lid, onder a, onder 1°, of onder b, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in die artikelonderdelen gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 800 g/GJ door 270 g/GJ;
i. voor een zuigermotor waarop artikel 23, eerste lid, onder a, onder 2° of onder 3°, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in die artikelonderdelen gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarden van 270 g/GJ onderscheidenlijk 140 g/GJ door 100 g/GJ;
j. voor een zuigermotor waarop artikel 23, tweede lid, onder a of onder b, van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in dat artikellid gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarden van 1200 g/GJ en 400 g/GJ door onderscheidenlijk 400 g/GJ en 150 g/GJ.
3. Het bevoegd gezag kan, indien de branders van een stookinstallatie worden vervangen:
a. voor een stookinstallatie voor zware stookolie een strengere emissie-eis dan de in artikel 12, derde lid, onder a, of vierde lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen doch niet strenger dan 400 mg/m3;
b. voor een stookinstallatie voor vloeibare brandstoffen anders dan bedoeld in onderdeel a , een strengere emissie-eis dan de in artikel 12, derde lid, onder a of b, of vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan 200 mg/m3;
c. voor een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van meer dan 10 MW een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, tweede lid, onder a of b, derde lid, onder a of b, of vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan 150 mg/m3;
d. voor een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen met een thermisch vermogen van 10 MW of minder een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, derde lid, onder a, b of c, of vierde lid, onder a, b, of c, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan: 1°. 70 mg/m3, wanneer de overdracht van warmte geschiedt via water, stoom of thermische olie en
2°. 150 mg/m3 in de overige gevallen.
1°. 70 mg/m3, wanneer de overdracht van warmte geschiedt via water, stoom of thermische olie en
2°. 150 mg/m3 in de overige gevallen.
4. Het bevoegd gezag kan een strengere emissie-eis stellen dan een in dit besluit gestelde emissie-eis of dan met toepassing van het eerste, tweede of derde lid mogelijk is, indien:
a. de aanvrager of houder van een vergunning in staat en bereid is om aan die strengere emissie-eis te voldoen of
b. volgens de actuele stand der techniek aan die strengere emissie-eis kan worden voldaan, terwijl voor de betreffende stookinstallatie op grond van artikel 28 een minder strenge emissie-eis was voorgeschreven of voor een andere stookinstallatie in de inrichting is voorgeschreven.