BWBR0004147
Geldig vanaf 2009-12-07
Artikel 13
Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt, dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. voor gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn uit een raffinaderij: 1°. 800 mg/m3, ingeval het gassen betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van omzetting van raffinage-residuen in petroleumcokes, die gestookt worden in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW;
2°. 35 mg/m3, in geval het andere dan de onder 1° bedoelde gassen betreft;
1°. 800 mg/m3, ingeval het gassen betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van omzetting van raffinage-residuen in petroleumcokes, die gestookt worden in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW;
2°. 35 mg/m3, in geval het andere dan de onder 1° bedoelde gassen betreft;
b. 400 mg/m3 voor cokesovengas;
c. 150 mg/m3 voor hoogovengas;
d. 35 mg/m3 voor oxygas;
e. 5 mg/m3 voor LPG;
f. 35 mg/m3 voor andere dan de onder a tot en met e bedoelde gasvormige brandstoffen, behalve gas, verkregen door vergassing van kolen, dat gestookt wordt in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW.
2. Een procesfornuis voor in de inrichting gegenereerde gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 15 september 1991: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 15 september 1991 tot en met 30 april 1998: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 1°. ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast: 110 mg/m3;
2°. in de overige gevallen: 140 mg/m3.
1°. ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast: 110 mg/m3;
2°. in de overige gevallen: 140 mg/m3.
3. Een procesfornuis voor andere gasvormige brandstoffen dan bedoeld in het tweede lid wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 15 september 1991: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 15 september 1991 tot en met 14 oktober 1992: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend in de periode van 15 oktober 1992 tot en met 30 april 1998: 150 mg/m3;
d. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 1°. 80 mg/m3, ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast;
2°. 110 mg/m3 in de overige gevallen.
1°. 80 mg/m3, ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast;
2°. 110 mg/m3 in de overige gevallen.
4. Een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen anders dan bedoeld in het tweede en derde lid, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 1 augustus 1988: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 1 augustus 1988 tot en met 14 oktober 1992: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend in de periode van 15 oktober 1992 tot en met 30 april 1998: 1°. 200 mg/m3 voor brandstoffen als bedoeld in het tweede lid;
2°. 100 mg/m3 voor overige brandstoffen.
1°. 200 mg/m3 voor brandstoffen als bedoeld in het tweede lid;
2°. 100 mg/m3 voor overige brandstoffen.
d. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 70 mg/m3.
5. Een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 20 mg/m3 voor cokesovengas, oxygas dan wel mengsels van deze gassen met hoogovengas;
b. 10 mg/m3 voor hoogovengas, voor zover niet vermengd met cokesovengas of oxygas;
c. 5 mg/m3 voor andere dan de onder a en b bedoelde gasvormige brandstoffen.
a. voor gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn uit een raffinaderij: 1°. 800 mg/m3, ingeval het gassen betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van omzetting van raffinage-residuen in petroleumcokes, die gestookt worden in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW;
2°. 35 mg/m3, in geval het andere dan de onder 1° bedoelde gassen betreft;
1°. 800 mg/m3, ingeval het gassen betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van omzetting van raffinage-residuen in petroleumcokes, die gestookt worden in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW;
2°. 35 mg/m3, in geval het andere dan de onder 1° bedoelde gassen betreft;
b. 400 mg/m3 voor cokesovengas;
c. 150 mg/m3 voor hoogovengas;
d. 35 mg/m3 voor oxygas;
e. 5 mg/m3 voor LPG;
f. 35 mg/m3 voor andere dan de onder a tot en met e bedoelde gasvormige brandstoffen, behalve gas, verkregen door vergassing van kolen, dat gestookt wordt in een stookinstallatie waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend of in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW.
2. Een procesfornuis voor in de inrichting gegenereerde gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 15 september 1991: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 15 september 1991 tot en met 30 april 1998: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 1°. ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast: 110 mg/m3;
2°. in de overige gevallen: 140 mg/m3.
1°. ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast: 110 mg/m3;
2°. in de overige gevallen: 140 mg/m3.
3. Een procesfornuis voor andere gasvormige brandstoffen dan bedoeld in het tweede lid wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 15 september 1991: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 15 september 1991 tot en met 14 oktober 1992: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend in de periode van 15 oktober 1992 tot en met 30 april 1998: 150 mg/m3;
d. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 1°. 80 mg/m3, ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast;
2°. 110 mg/m3 in de overige gevallen.
1°. 80 mg/m3, ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en geen luchtvoorverwarming wordt toegepast;
2°. 110 mg/m3 in de overige gevallen.
4. Een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen anders dan bedoeld in het tweede en derde lid, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. indien vergunning is verleend voor 1 augustus 1988: 350 mg/m3 en indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 MW of meer met ingang van 1 januari 2008: 1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
1°. 200 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
2°. 300 mg/m3, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW;
b. indien vergunning is verleend in de periode van 1 augustus 1988 tot en met 14 oktober 1992: 200 mg/m3;
c. indien vergunning is verleend in de periode van 15 oktober 1992 tot en met 30 april 1998: 1°. 200 mg/m3 voor brandstoffen als bedoeld in het tweede lid;
2°. 100 mg/m3 voor overige brandstoffen.
1°. 200 mg/m3 voor brandstoffen als bedoeld in het tweede lid;
2°. 100 mg/m3 voor overige brandstoffen.
d. indien vergunning is verleend op of na 1 mei 1998: 70 mg/m3.
5. Een stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 20 mg/m3 voor cokesovengas, oxygas dan wel mengsels van deze gassen met hoogovengas;
b. 10 mg/m3 voor hoogovengas, voor zover niet vermengd met cokesovengas of oxygas;
c. 5 mg/m3 voor andere dan de onder a en b bedoelde gasvormige brandstoffen.