BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 9
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. In plaats van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder a, van de wetzijn de artikelen 3 tot en met 18 van de wetniet van toepassing op stoffen die voorkomen op de (EINECS) Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen ( PbEG90/C 146A).
2. De artikelen 3 tot en met 18 van de wetzijn evenmin van toepassing op:
a. polymeren die minder dan twee gewichtsprocenten bevatten van een stof in gebonden vorm die niet in de in het eerste lid genoemde inventaris is opgenomen;
b. een stof die vanuit een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132) in Nederland zal worden ingevoerd, indien die stof in de desbetreffende staat in de handel mag worden gebracht;
c. toevoegingsmiddelen en stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in diervoeders, voor zover deze zijn toegelaten op grond van richtlijn nr. 70/524/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PbEG L 270/1) en richtlijn nr. 82/471/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte produkten (PbEG L 213/8);
d. stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik als toevoegingsmiddel in levensmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 89/107/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (PbEG L 40/27), alsmede stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik als aroma in levensmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184/61);
e. werkzame bestanddelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in geneesmiddelen als bedoeld in de Geneesmiddelenwet of de Diergeneesmiddelenwet, waaronder niet begrepen de chemische tussenprodukten;
f. kosmetische produkten als bedoeld in richtlijn nr. 76/768/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PbEG L 262/169), laatstelijk gewijzigd bij de richtlijn van de Commissie nr. 86/199/EEG van 26 maart 1986 (PbEG L 149/38);
g. diergeneesmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311), alsmede stoffen, uitsluitend bestemd om te worden verwerkt in diergeneesmiddelen;
h. gewasbeschermingsmiddelen of biociden die zijn toegelaten of vrijgesteld op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met dien verstande dat voorzover een vrijstelling als bedoeld in artikel 37 of 64 van die wet is aangevraagd het hoeveelheden betreft die benodigd zijn voor het onderzoek;
i. immunologische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Geneesmiddelenwet;
j. mengsels van stoffen, in de vorm van afvalstoffen als bedoeld in richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEU L 114/9) en in richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 84/43);
k. radioactieve stoffen als bedoeld in richtlijn nr. 80/836/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 246/1);
l. stoffen, uitsluitend bestemd om te worden gebruikt voor andere categorieën van produkten waarvoor communautaire kennisgevings- of erkenningsprocedures bestaan en waarvoor de eisen betreffende de te verstrekken informatie gelijkwaardig zijn aan die van de richtlijn, nadat van het bestaan daarvan mededeling is gedaan in de Staatscourant.
3. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het tweede lid, onder c, d, f, g, j of k, treedt voor de toepassing van het tweede lid in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
2. De artikelen 3 tot en met 18 van de wetzijn evenmin van toepassing op:
a. polymeren die minder dan twee gewichtsprocenten bevatten van een stof in gebonden vorm die niet in de in het eerste lid genoemde inventaris is opgenomen;
b. een stof die vanuit een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132) in Nederland zal worden ingevoerd, indien die stof in de desbetreffende staat in de handel mag worden gebracht;
c. toevoegingsmiddelen en stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in diervoeders, voor zover deze zijn toegelaten op grond van richtlijn nr. 70/524/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PbEG L 270/1) en richtlijn nr. 82/471/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte produkten (PbEG L 213/8);
d. stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik als toevoegingsmiddel in levensmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 89/107/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (PbEG L 40/27), alsmede stoffen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik als aroma in levensmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184/61);
e. werkzame bestanddelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in geneesmiddelen als bedoeld in de Geneesmiddelenwet of de Diergeneesmiddelenwet, waaronder niet begrepen de chemische tussenprodukten;
f. kosmetische produkten als bedoeld in richtlijn nr. 76/768/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake kosmetische produkten (PbEG L 262/169), laatstelijk gewijzigd bij de richtlijn van de Commissie nr. 86/199/EEG van 26 maart 1986 (PbEG L 149/38);
g. diergeneesmiddelen als bedoeld in richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311), alsmede stoffen, uitsluitend bestemd om te worden verwerkt in diergeneesmiddelen;
h. gewasbeschermingsmiddelen of biociden die zijn toegelaten of vrijgesteld op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met dien verstande dat voorzover een vrijstelling als bedoeld in artikel 37 of 64 van die wet is aangevraagd het hoeveelheden betreft die benodigd zijn voor het onderzoek;
i. immunologische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Geneesmiddelenwet;
j. mengsels van stoffen, in de vorm van afvalstoffen als bedoeld in richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEU L 114/9) en in richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 84/43);
k. radioactieve stoffen als bedoeld in richtlijn nr. 80/836/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG L 246/1);
l. stoffen, uitsluitend bestemd om te worden gebruikt voor andere categorieën van produkten waarvoor communautaire kennisgevings- of erkenningsprocedures bestaan en waarvoor de eisen betreffende de te verstrekken informatie gelijkwaardig zijn aan die van de richtlijn, nadat van het bestaan daarvan mededeling is gedaan in de Staatscourant.
3. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het tweede lid, onder c, d, f, g, j of k, treedt voor de toepassing van het tweede lid in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.