BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 12
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 2, behoeft voorts niet te worden gedaan indien minder dan 10 kg per jaar per fabrikant van de stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd of ter beschikking gesteld.
2. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 2, behoeft evenmin te worden gedaan indien ten hoogste 100 kg per jaar per fabrikant van de stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd of ter beschikking gesteld ten behoeve van wetenschappelijke proefnemingen of analyses onder gecontroleerde omstandigheden ter bepaling van intrinsieke eigenschappen, prestatie en werkzaamheid van een stof alsmede van wetenschappelijk onderzoek in verband met de produktontwikkeling.
3. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 2 onderscheidenlijk artikel 2 a, eerste of tweede lid, van het in de Europese Economische Ruimte invoeren of ter beschikking stellen van een stof, al dan niet verwerkt in een preparaat:
a. die in beperkte hoeveelheden in de Europese Economische Ruimte zal worden ingevoerd of ter beschikking gesteld, doch
b. die uitsluitend zal worden ingevoerd of ter beschikking gesteld ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de stof, waarbij de toepassingsgebieden van de stof worden getest met behulp van proefprodukties of produktie-experimenten, en
c. die met het oog daarop niet ter beschikking zal worden gesteld aan anderen dan een beperkt aantal door hem geregistreerde afnemers, behoeft pas te worden gedaan twaalf maanden na het tijdstip waarop de hoeveelheidsgrens van 10 kg, 100 kg dan wel 1000 kg per jaar per fabrikant is overschreden, indien de importeur of de fabrikant Onze Minister daarom verzoekt voordat de hoeveelheidsgrens wordt overschreden.
4. In een geval als bedoeld in het tweede lid, registreert de importeur dan wel de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant schriftelijk de volgende gegevens:
a. de gegevens met betrekking tot de identiteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a;
b. de hoeveelheid;
c. de gegevens, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van de wet, die moeten worden gebruikt voor het aanduiden van de stof;
d. de namen van de afnemers.
5. Op verzoek van Onze Minister legt de importeur of de fabrikant de in het vierde lid bedoelde gegevens binnen een door Onze Minister te bepalen termijn over.
6. In een geval als bedoeld in het derde lid, legt de importeur of de fabrikant bij zijn verzoek de volgende gegevens over:
a. de gegevens, bedoeld in het vierde lid;
b. de motivering van de hoeveelheid;
c. het programma inzake onderzoek en ontwikkeling, en
d. indien de in te voeren of ter beschikking te stellen hoeveelheid meer dan 100 kg respectievelijk meer dan 1000 kg per jaar per fabrikant bedraagt: de overige gegevens, bedoeld in artikel 2a, tweede lid , respectievelijk eerste lid.
7. In een geval als bedoeld in het derde lid, dient de importeur of de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant er voorts zorg voor te dragen, dat de stof of het preparaat niet door anderen dan door het personeel van de in dat lid bedoelde afnemers onder gecontroleerde omstandigheden wordt gebruikt en niet aan het algemene publiek ter beschikking wordt gesteld.
8. Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door handelingen met een stof of een preparaat als bedoeld in het derde lid gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat bepalen dat een produkt dat een zodanige stof bevat en dat is vervaardigd tijdens de ontwikkeling, bedoeld in het derde lid, onder b, onderworpen is aan de beperking genoemd in het zevende lid.
9. Op verzoek van de importeur of, indien de fabrikant een vertegenwoordiger heeft aangewezen, van de vertegenwoordiger dan wel de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, kan Onze Minister de termijn, bedoeld in het derde lid, in bijzondere gevallen met een jaar verlengen, indien de kennisgever onderscheidenlijk de vertegenwoordiger aantoont dat de omstandigheden een zodanige verlenging rechtvaardigen.
10. Het eerste en het derde lid zijn slechts van toepassing indien de fabrikant of importeur de voorschriften naleeft die door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor hem met betrekking tot handelingen met de stof of het preparaat worden vastgesteld. Met betrekking tot de gegevens die ingevolge het vijfde of zesde lid moeten worden overgelegd, is artikel 11, achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 2, behoeft evenmin te worden gedaan indien ten hoogste 100 kg per jaar per fabrikant van de stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in de Europese Economische Ruimte wordt ingevoerd of ter beschikking gesteld ten behoeve van wetenschappelijke proefnemingen of analyses onder gecontroleerde omstandigheden ter bepaling van intrinsieke eigenschappen, prestatie en werkzaamheid van een stof alsmede van wetenschappelijk onderzoek in verband met de produktontwikkeling.
3. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 2 onderscheidenlijk artikel 2 a, eerste of tweede lid, van het in de Europese Economische Ruimte invoeren of ter beschikking stellen van een stof, al dan niet verwerkt in een preparaat:
a. die in beperkte hoeveelheden in de Europese Economische Ruimte zal worden ingevoerd of ter beschikking gesteld, doch
b. die uitsluitend zal worden ingevoerd of ter beschikking gesteld ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de stof, waarbij de toepassingsgebieden van de stof worden getest met behulp van proefprodukties of produktie-experimenten, en
c. die met het oog daarop niet ter beschikking zal worden gesteld aan anderen dan een beperkt aantal door hem geregistreerde afnemers, behoeft pas te worden gedaan twaalf maanden na het tijdstip waarop de hoeveelheidsgrens van 10 kg, 100 kg dan wel 1000 kg per jaar per fabrikant is overschreden, indien de importeur of de fabrikant Onze Minister daarom verzoekt voordat de hoeveelheidsgrens wordt overschreden.
4. In een geval als bedoeld in het tweede lid, registreert de importeur dan wel de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant schriftelijk de volgende gegevens:
a. de gegevens met betrekking tot de identiteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a;
b. de hoeveelheid;
c. de gegevens, bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van de wet, die moeten worden gebruikt voor het aanduiden van de stof;
d. de namen van de afnemers.
5. Op verzoek van Onze Minister legt de importeur of de fabrikant de in het vierde lid bedoelde gegevens binnen een door Onze Minister te bepalen termijn over.
6. In een geval als bedoeld in het derde lid, legt de importeur of de fabrikant bij zijn verzoek de volgende gegevens over:
a. de gegevens, bedoeld in het vierde lid;
b. de motivering van de hoeveelheid;
c. het programma inzake onderzoek en ontwikkeling, en
d. indien de in te voeren of ter beschikking te stellen hoeveelheid meer dan 100 kg respectievelijk meer dan 1000 kg per jaar per fabrikant bedraagt: de overige gegevens, bedoeld in artikel 2a, tweede lid , respectievelijk eerste lid.
7. In een geval als bedoeld in het derde lid, dient de importeur of de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant er voorts zorg voor te dragen, dat de stof of het preparaat niet door anderen dan door het personeel van de in dat lid bedoelde afnemers onder gecontroleerde omstandigheden wordt gebruikt en niet aan het algemene publiek ter beschikking wordt gesteld.
8. Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door handelingen met een stof of een preparaat als bedoeld in het derde lid gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat bepalen dat een produkt dat een zodanige stof bevat en dat is vervaardigd tijdens de ontwikkeling, bedoeld in het derde lid, onder b, onderworpen is aan de beperking genoemd in het zevende lid.
9. Op verzoek van de importeur of, indien de fabrikant een vertegenwoordiger heeft aangewezen, van de vertegenwoordiger dan wel de in de Europese Economische Ruimte gevestigde fabrikant, kan Onze Minister de termijn, bedoeld in het derde lid, in bijzondere gevallen met een jaar verlengen, indien de kennisgever onderscheidenlijk de vertegenwoordiger aantoont dat de omstandigheden een zodanige verlenging rechtvaardigen.
10. Het eerste en het derde lid zijn slechts van toepassing indien de fabrikant of importeur de voorschriften naleeft die door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor hem met betrekking tot handelingen met de stof of het preparaat worden vastgesteld. Met betrekking tot de gegevens die ingevolge het vijfde of zesde lid moeten worden overgelegd, is artikel 11, achtste lid, van overeenkomstige toepassing.