BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 3
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 3 van de wet, die betrekking heeft op het vervaardigen van een stof, dient met betrekking tot die stof gegevens over te leggen, die ten minste betreffen:
a. de identiteit;
b. de toepassing;
c. de fysisch-chemische eigenschappen;
d. de toxiciteit, en
e. de mogelijkheden de stof onschadelijk te maken.
Hij dient tevens met betrekking tot die stof gegevens over te leggen betreffende de subacute toxiciteit, tenzij hij naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voldoende aantoont dat het overleggen van deze gegevens niet noodzakelijk is:
a. op grond van de bestaande toxicologische kennis over stoffen met een vergelijkbare chemische structuur, of
b. omdat de blootstelling van werknemers aan die stof verwaarloosbaar is of geen herhaalde blootstelling van werknemers aan die stof zal plaatsvinden.
2. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels omtrent de gegevens die ingevolge het eerste lid worden overgelegd.
3. Met betrekking tot een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder atot en met d, en derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gegevens, bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel, dienen te worden aangevuld met gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd.
4. Indien een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met betrekking tot een stof die reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, kan daarbij overlegging van een verklaring over de gevaren van de stof, onderscheidenlijk van een voorstel voor indeling en aanduiding van de stof en van aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van de stof achterwege gelaten worden.
a. de identiteit;
b. de toepassing;
c. de fysisch-chemische eigenschappen;
d. de toxiciteit, en
e. de mogelijkheden de stof onschadelijk te maken.
Hij dient tevens met betrekking tot die stof gegevens over te leggen betreffende de subacute toxiciteit, tenzij hij naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voldoende aantoont dat het overleggen van deze gegevens niet noodzakelijk is:
a. op grond van de bestaande toxicologische kennis over stoffen met een vergelijkbare chemische structuur, of
b. omdat de blootstelling van werknemers aan die stof verwaarloosbaar is of geen herhaalde blootstelling van werknemers aan die stof zal plaatsvinden.
2. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels omtrent de gegevens die ingevolge het eerste lid worden overgelegd.
3. Met betrekking tot een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder atot en met d, en derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gegevens, bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel, dienen te worden aangevuld met gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd.
4. Indien een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met betrekking tot een stof die reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, kan daarbij overlegging van een verklaring over de gevaren van de stof, onderscheidenlijk van een voorstel voor indeling en aanduiding van de stof en van aanbevolen methoden en voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van de stof achterwege gelaten worden.