BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 10
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Indien een stof met betrekking waartoe op grond van artikel 19, eerste lid, onder b, van de wet, dan wel artikel 9, tweede lid, onder a, of artikel 12, eerste of tweede lid, geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van de wet behoeft te worden gedaan, of ingevolge artikel 12, derde lid, eerst na twaalf maanden kennis dient te worden gegeven, behoort tot de categorie, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f, g, l, m, onderscheidenlijk n, van de wet, dient degene die voornemens is ertoe over te gaan die stof te vervaardigen of, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren of voor de eerste maal in de Europese Economische Ruimte aan een ander ter beschikking te stellen, zulks aan Onze Minister te melden.
2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid dienen schriftelijk te worden overgelegd:
a. indien de melding betrekking heeft op het vervaardigen van een stof: - de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover deze ter beschikking staan,
- de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, tenzij die stof reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, en
- de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
- de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover deze ter beschikking staan,
- de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, tenzij die stof reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, en
- de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
b. in de overige gevallen: 1°. de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, alsmede de gegevens bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover de overlegging daarvan niet reeds op een eerder tijdstip was geboden, en
2°. indien beschikbaar: gegevens betreffende de acute toxiciteit.
1°. de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, alsmede de gegevens bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover de overlegging daarvan niet reeds op een eerder tijdstip was geboden, en
2°. indien beschikbaar: gegevens betreffende de acute toxiciteit.
3. Het bepaalde in de artikelen 4, zevende en negende lid, 6, eerste en tweede lid, en 17 van de wet is met betrekking tot een melding als bedoeld in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
2. Bij een melding als bedoeld in het eerste lid dienen schriftelijk te worden overgelegd:
a. indien de melding betrekking heeft op het vervaardigen van een stof: - de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover deze ter beschikking staan,
- de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, tenzij die stof reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, en
- de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
- de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover deze ter beschikking staan,
- de gegevens, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, tenzij die stof reeds is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, en
- de gegevens betreffende de plaats waar de stof wordt vervaardigd;
b. in de overige gevallen: 1°. de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, alsmede de gegevens bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover de overlegging daarvan niet reeds op een eerder tijdstip was geboden, en
2°. indien beschikbaar: gegevens betreffende de acute toxiciteit.
1°. de gegevens betreffende de identiteit van de stof, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, alsmede de gegevens bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, voor zover dat bij ministeriële regeling is bepaald, en voor zover de overlegging daarvan niet reeds op een eerder tijdstip was geboden, en
2°. indien beschikbaar: gegevens betreffende de acute toxiciteit.
3. Het bepaalde in de artikelen 4, zevende en negende lid, 6, eerste en tweede lid, en 17 van de wet is met betrekking tot een melding als bedoeld in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.