BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 11
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van het vervaardigen van een stof behoeft voorts niet te worden gedaan, indien de fabrikant minder dan 1000 kg per jaar van de stof in Nederland zal vervaardigen.
2. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van het vervaardigen van een stof,
a. die in Nederland zal worden vervaardigd in een hoeveelheid die 1000 kg per jaar of meer bedraagt, doch
b. die uitsluitend zal worden vervaardigd ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden,
behoeft pas te worden gedaan twaalf maanden na het tijdstip waarop de hoeveelheidsgrens van 1000 kg per jaar is overschreden.
3. In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid, doet de fabrikant voorafgaand aan het vervaardigen van de stof een schriftelijke melding aan Onze Minister. Hij dient daarbij over te leggen:
a. gegevens betreffende de identiteit;
b. gegevens betreffende de functie of functies, de toepassingsgebieden en de hoeveelheid;
c. indien de stof behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f of g, van de wet, en nog niet is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn: de gegevens bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, en derde lid, onder c, van de wet, en
d. gegevens betreffende de plaats waar de stof zal worden vervaardigd.
Met betrekking tot de over te leggen gegevens is artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Een melding als bedoeld in het derde lid, behoeft niet te worden gedaan indien de fabrikant een stof vervaardigt uitsluitend onder laboratoriumomstandigheden en ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden in een hoeveelheid kleiner dan 100 kg per jaar of 500 kg in totaal.
5. Een melding als bedoeld in het derde lid, behoeft evenmin te worden gedaan indien de fabrikant een stof vervaardigt uitsluitend onder laboratoriumomstandigheden en ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden in een hoeveelheid groter dan 100 kg per jaar of 500 kg in totaal doch kleiner dan 1000 kg per jaar of 5000 kg in totaal, indien hij op grond van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, kan aantonen dat de stof niet behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder fof g, van de wet.
6. Bij de melding ingevolge het derde lid van een stof als bedoeld in het vijfde lid, die wordt vervaardigd in een hoeveelheid groter dan 100 kg per jaar, maar kleiner dan 1000 kg per jaar of groter dan 500 kg in totaal, maar kleiner dan 5000 kg in totaal, en die behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder fof g, van de wet, moeten tevens worden verstrekt de gegevens betreffende de acute toxiciteit die ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, zijn vereist dan wel de resultaten van een acute-toxiciteitstest die is uitgevoerd volgens door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen methoden.
7. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing, indien de fabrikant de voorschriften naleeft, die door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor hem met betrekking tot handelingen met de stof worden vastgesteld.
8. Het bepaalde in de artikelen 4, zevende en negende lid, 6, eerste en tweede lid, 13 en 17 van de wet, alsmede het bepaalde in artikel 2, derde lid, is met betrekking tot stoffen waarvoor een melding als bedoeld in het derde lid dient te worden gedaan, van overeenkomstige toepassing.
2. Een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van het vervaardigen van een stof,
a. die in Nederland zal worden vervaardigd in een hoeveelheid die 1000 kg per jaar of meer bedraagt, doch
b. die uitsluitend zal worden vervaardigd ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden,
behoeft pas te worden gedaan twaalf maanden na het tijdstip waarop de hoeveelheidsgrens van 1000 kg per jaar is overschreden.
3. In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid, doet de fabrikant voorafgaand aan het vervaardigen van de stof een schriftelijke melding aan Onze Minister. Hij dient daarbij over te leggen:
a. gegevens betreffende de identiteit;
b. gegevens betreffende de functie of functies, de toepassingsgebieden en de hoeveelheid;
c. indien de stof behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder f of g, van de wet, en nog niet is opgenomen in bijlage I bij de richtlijn: de gegevens bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, en derde lid, onder c, van de wet, en
d. gegevens betreffende de plaats waar de stof zal worden vervaardigd.
Met betrekking tot de over te leggen gegevens is artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Een melding als bedoeld in het derde lid, behoeft niet te worden gedaan indien de fabrikant een stof vervaardigt uitsluitend onder laboratoriumomstandigheden en ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden in een hoeveelheid kleiner dan 100 kg per jaar of 500 kg in totaal.
5. Een melding als bedoeld in het derde lid, behoeft evenmin te worden gedaan indien de fabrikant een stof vervaardigt uitsluitend onder laboratoriumomstandigheden en ten behoeve van onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden in een hoeveelheid groter dan 100 kg per jaar of 500 kg in totaal doch kleiner dan 1000 kg per jaar of 5000 kg in totaal, indien hij op grond van de gegevens, bedoeld in het zesde lid, kan aantonen dat de stof niet behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder fof g, van de wet.
6. Bij de melding ingevolge het derde lid van een stof als bedoeld in het vijfde lid, die wordt vervaardigd in een hoeveelheid groter dan 100 kg per jaar, maar kleiner dan 1000 kg per jaar of groter dan 500 kg in totaal, maar kleiner dan 5000 kg in totaal, en die behoort tot de categorie zeer vergiftig of vergiftig, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder fof g, van de wet, moeten tevens worden verstrekt de gegevens betreffende de acute toxiciteit die ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, zijn vereist dan wel de resultaten van een acute-toxiciteitstest die is uitgevoerd volgens door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen methoden.
7. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing, indien de fabrikant de voorschriften naleeft, die door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor hem met betrekking tot handelingen met de stof worden vastgesteld.
8. Het bepaalde in de artikelen 4, zevende en negende lid, 6, eerste en tweede lid, 13 en 17 van de wet, alsmede het bepaalde in artikel 2, derde lid, is met betrekking tot stoffen waarvoor een melding als bedoeld in het derde lid dient te worden gedaan, van overeenkomstige toepassing.