BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 2
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 3 van de wet, die betrekking heeft op het in Nederland invoeren of het in de Europese Economische Ruimte aan een ander ter beschikking stellen van een stof, dient met betrekking tot die stof gegevens over te leggen, die ten minste betreffen:
a. de identiteit;
b. de produktie;
c. de toepassing;
d. de fysisch-chemische eigenschappen;
e. de toxiciteit;
f. de milieutoxiciteit en de afbreekbaarheid, en
g. de mogelijkheden de stof onschadelijk te maken.
2. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, is tevens verplicht over te leggen:
a. een verklaring over de gevaren van de stof naar gelang van de verschillende toepassingen;
b. de rapporten van het onderzoek waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn gebaseerd;
c. de samenstelling van het monster waaraan het onderzoek is verricht;
d. een beschrijving van de gebruikte onderzoekmethoden;
e. indien de stof behoort tot een of meer van de in artikel 34, tweede lid, van de wet aangewezen categorieën, tevens een voorstel voor een inlichtingenblad aangaande de veiligheid als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
f. de naam van de fabrikant en van degene die de kennisgeving doet indien deze niet dezelfde persoon is;
g. gegevens met betrekking tot de ligging van het terrein waar de stof wordt vervaardigd;
h. indien de fabrikant buiten de Europese Economische Ruimte gevestigd is en hij een vertegenwoordiger heeft aangewezen, tevens een verklaring van de fabrikant waaruit blijkt dat degene die de kennisgeving doet, voor de indiening daarvan door de fabrikant als zodanig is aangewezen;
i. in het geval, bedoeld in onderdeel h, tevens de namen en de adressen van hen die de stof in de Europese Economische Ruimte invoeren en waarop de kennisgeving, bedoeld in dat onderdeel, betrekking heeft;
j. in het geval, bedoeld in onderdeel h, tevens een aanduiding van de geraamde totale hoeveelheid in tonnen die iedere importeur die in de kennisgeving is genoemd in de Europese Economische Ruimte invoert gedurende het eerste kalenderjaar waarin de kennisgeving wordt gedaan, en gedurende elk van de daarop volgende kalenderjaren.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing voor zover degene die de kennisgeving doet, aantoont dat het overleggen van gegevens als aldaar bedoeld technisch niet mogelijk of op grond van wetenschappelijk inzicht met betrekking tot de eigenschappen van die stof niet noodzakelijk is.
4. Voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan de kennisgever gebruik maken van een andere wetenschappelijke onderzoekmethode dan genoemd in artikel 4, eerste of tweede lid, indien hij aantoont dat die methode de voorkeur verdient.
5. Indien een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met betrekking tot een stof als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de wet, kan worden volstaan met het overleggen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder atot en met c.
6. Op verzoek van degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister bepalen dat hij gedurende ten hoogste een jaar na de datum van de kennisgeving geen mededeling zal doen van de naam en het adres van de kennisgever aan volgende kennisgevers.
7. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, kan een beoordeling van het feitelijke of mogelijke gevaar van de stof voor mens of milieu overleggen, opgemaakt overeenkomstig door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te geven regels.
8. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels omtrent de gegevens die ingevolge het eerste en tweede lid worden overgelegd.
a. de identiteit;
b. de produktie;
c. de toepassing;
d. de fysisch-chemische eigenschappen;
e. de toxiciteit;
f. de milieutoxiciteit en de afbreekbaarheid, en
g. de mogelijkheden de stof onschadelijk te maken.
2. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, is tevens verplicht over te leggen:
a. een verklaring over de gevaren van de stof naar gelang van de verschillende toepassingen;
b. de rapporten van het onderzoek waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens zijn gebaseerd;
c. de samenstelling van het monster waaraan het onderzoek is verricht;
d. een beschrijving van de gebruikte onderzoekmethoden;
e. indien de stof behoort tot een of meer van de in artikel 34, tweede lid, van de wet aangewezen categorieën, tevens een voorstel voor een inlichtingenblad aangaande de veiligheid als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
f. de naam van de fabrikant en van degene die de kennisgeving doet indien deze niet dezelfde persoon is;
g. gegevens met betrekking tot de ligging van het terrein waar de stof wordt vervaardigd;
h. indien de fabrikant buiten de Europese Economische Ruimte gevestigd is en hij een vertegenwoordiger heeft aangewezen, tevens een verklaring van de fabrikant waaruit blijkt dat degene die de kennisgeving doet, voor de indiening daarvan door de fabrikant als zodanig is aangewezen;
i. in het geval, bedoeld in onderdeel h, tevens de namen en de adressen van hen die de stof in de Europese Economische Ruimte invoeren en waarop de kennisgeving, bedoeld in dat onderdeel, betrekking heeft;
j. in het geval, bedoeld in onderdeel h, tevens een aanduiding van de geraamde totale hoeveelheid in tonnen die iedere importeur die in de kennisgeving is genoemd in de Europese Economische Ruimte invoert gedurende het eerste kalenderjaar waarin de kennisgeving wordt gedaan, en gedurende elk van de daarop volgende kalenderjaren.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing voor zover degene die de kennisgeving doet, aantoont dat het overleggen van gegevens als aldaar bedoeld technisch niet mogelijk of op grond van wetenschappelijk inzicht met betrekking tot de eigenschappen van die stof niet noodzakelijk is.
4. Voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, kan de kennisgever gebruik maken van een andere wetenschappelijke onderzoekmethode dan genoemd in artikel 4, eerste of tweede lid, indien hij aantoont dat die methode de voorkeur verdient.
5. Indien een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan met betrekking tot een stof als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de wet, kan worden volstaan met het overleggen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder atot en met c.
6. Op verzoek van degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister bepalen dat hij gedurende ten hoogste een jaar na de datum van de kennisgeving geen mededeling zal doen van de naam en het adres van de kennisgever aan volgende kennisgevers.
7. Degene die een kennisgeving doet als bedoeld in het eerste lid, kan een beoordeling van het feitelijke of mogelijke gevaar van de stof voor mens of milieu overleggen, opgemaakt overeenkomstig door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te geven regels.
8. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels omtrent de gegevens die ingevolge het eerste en tweede lid worden overgelegd.