BWBR0004050
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 5
Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Het onderzoek dat wordt verricht ten behoeve van een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 van de wet, dient te worden uitgevoerd met toepassing van:
a. de beginselen van goede laboratoriumpraktijken, zoals die zijn omschreven in de bijlage bij richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);
b. de bepalingen van richtlijn nr. 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358).
2. Onze Minister kan te zamen met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling verlenen alsmede nadere regelen stellen voor:
a. categorieën van onderzoek die worden uitgevoerd ten behoeve van een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 voor het vervaardigen van een stof;
b. het onderzoek ter uitvoering van de artikelen 10 en 11, indien dit betrekking heeft op het vervaardigen van een stof.
3. Een wijziging van de bijlage van de richtlijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, treedt voor de toepassing van dat onderdeel in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
4. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, treedt voor de toepassing van dat onderdeel in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
a. de beginselen van goede laboratoriumpraktijken, zoals die zijn omschreven in de bijlage bij richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);
b. de bepalingen van richtlijn nr. 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358).
2. Onze Minister kan te zamen met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling verlenen alsmede nadere regelen stellen voor:
a. categorieën van onderzoek die worden uitgevoerd ten behoeve van een kennisgeving als bedoeld in artikel 3 voor het vervaardigen van een stof;
b. het onderzoek ter uitvoering van de artikelen 10 en 11, indien dit betrekking heeft op het vervaardigen van een stof.
3. Een wijziging van de bijlage van de richtlijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, treedt voor de toepassing van dat onderdeel in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.
4. Een wijziging van de richtlijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, treedt voor de toepassing van dat onderdeel in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.