BWBR0003165
Geldig vanaf 1978-07-01
Artikel 28
Algemeen EEG-IJkbesluit
1. De meetmiddelen moeten zodanig zijn ingericht, dat zij geen aanleiding tot misleiding of misvatting kunnen geven. Zij moeten een doelmatige vorm hebben, uit voor het doel geschikte grondstoffen van goede hoedanigheid zijn vervaardigd, aan de eis van goed werk voldoen en in goede staat van onderhoud verkeren; zij moeten zodanig zijn samengesteld dat ijkmerken en afkeuringsmerken gemakkelijk kunnen worden aangebracht en niet zonder beschadiging kunnen worden verwijderd.
2. Onze Minister stelt ter uitvoering van het eerste lid nadere bepalingen vast, waarbij de betrokken meetmiddelen zo nodig nader worden omschreven; hij geeft voorts overige ingevolge een bijzondere richtlijn vereiste voorschriften omtrent de samenstelling, stelt eisen vast ten aanzien van de meet- en weegeigenschappen en de daarbij toegelaten maximale fouten en kan nadere voorschriften geven, welke voor een doelmatig gebruik van de betrokken meetmiddelen bevorderlijk zijn.
3. De meetmiddelen mogen geen aanduidingen van andere dan de bij of krachtens artikel 1 van de wet erkende meeteenheden dragen; de aanduiding van decimale veelvouden en delen van erkende meeteenheden op de meetmiddelen moet overeenstemmen met het bij of krachtens artikel 4 van de wet bepaalde. Onze Minister kan bepalen dat die aanduidingen in door hem aangewezen gevallen of ten aanzien van meetmiddelen, behorende tot door hem aangewezen categorieën, met inachtneming van de door hem gestelde regelen mogen zijn vergezeld van aanduidingen van andere dan de erkende meeteenheden.
4. Op meetmiddelen, aangewezen bij artikel 2, eerste lid, onder b, 2°, moet de nominale massa daarvan zijn vermeld en zijn uitgedrukt door een getal, gevolgd door het symbool van een door Onze Minister bepaalde wettelijke meeteenheid.
5. Onze Minister kan in afwijking van het vierde lid ten aanzien van door hem aangewezen categorieën van meetmiddelen, bedoeld in het vierde lid, bepalen, dat de nominale waarde daarop uitsluitend in de vorm van een getal moet zijn vermeld dan wel daarop niet mag zijn vermeld.
2. Onze Minister stelt ter uitvoering van het eerste lid nadere bepalingen vast, waarbij de betrokken meetmiddelen zo nodig nader worden omschreven; hij geeft voorts overige ingevolge een bijzondere richtlijn vereiste voorschriften omtrent de samenstelling, stelt eisen vast ten aanzien van de meet- en weegeigenschappen en de daarbij toegelaten maximale fouten en kan nadere voorschriften geven, welke voor een doelmatig gebruik van de betrokken meetmiddelen bevorderlijk zijn.
3. De meetmiddelen mogen geen aanduidingen van andere dan de bij of krachtens artikel 1 van de wet erkende meeteenheden dragen; de aanduiding van decimale veelvouden en delen van erkende meeteenheden op de meetmiddelen moet overeenstemmen met het bij of krachtens artikel 4 van de wet bepaalde. Onze Minister kan bepalen dat die aanduidingen in door hem aangewezen gevallen of ten aanzien van meetmiddelen, behorende tot door hem aangewezen categorieën, met inachtneming van de door hem gestelde regelen mogen zijn vergezeld van aanduidingen van andere dan de erkende meeteenheden.
4. Op meetmiddelen, aangewezen bij artikel 2, eerste lid, onder b, 2°, moet de nominale massa daarvan zijn vermeld en zijn uitgedrukt door een getal, gevolgd door het symbool van een door Onze Minister bepaalde wettelijke meeteenheid.
5. Onze Minister kan in afwijking van het vierde lid ten aanzien van door hem aangewezen categorieën van meetmiddelen, bedoeld in het vierde lid, bepalen, dat de nominale waarde daarop uitsluitend in de vorm van een getal moet zijn vermeld dan wel daarop niet mag zijn vermeld.