BWBR0003165
Geldig vanaf 1978-07-01
Artikel 12
Algemeen EEG-IJkbesluit
1. Een EEG-modelgoedkeuring wordt ingetrokken, indien aan de ijkinstelling uit een onderzoek blijkt dat de naar het goedgekeurde model vervaardigde meetmiddelen bij gebruik gebreken van algemene aard vertonen, welke die meetmiddelen ongeschikt maken voor hun doel.
2. Een EEG-modelgoedkeuring kan worden ingetrokken, indien aan de ijkinstelling:
a. blijkt dat degene op wiens naam het certificaat van EEG-modelgoedkeuring is gesteld, het met betrekking tot het desbetreffende model vastgestelde EEG-modelgoedkeuringsteken heeft aangebracht op meetmiddelen die niet naar het goedgekeurde model zijn vervaardigd;
b. blijkt dat naar het goedgekeurde model vervaardigde meetmiddelen niet voldoen aan de daarvoor gegeven algemene of bijzondere ijktechnische voorschriften;
c. blijkt dat het voorschrift of de beperkingen, die ingevolge artikel 6, tweede lid, derde lid, onder a of b, of artikel 11, zevende lid, aan de EEG-modelgoedkeuring zijn verbonden, niet zijn nageleefd of in acht genomen;
d. blijkt dat de EEG-modelgoedkeuring ten onrechte is verleend;
e. door het bevoegde orgaan van een andere EER-Staat schriftelijk is medegedeeld dat is gebleken van feiten als omschreven in het eerste lid of in het onderhavige lid, onder a, b, c of d.
3. In een geval als in het tweede lid, onder e, bedoeld vindt de intrekking van een EEG-modelgoedkeuring niet plaats dan na overleg van de ijkinstelling met het bevoegde orgaan van de betrokken EER-Staat.
4. Indien een EEG-modelgoedkeuring wordt ingetrokken op een tijdstip, waarop ingevolge artikel 11reeds voor de betrokkene die EEG-modelgoedkeuring is verlengd met ingang van een na dat tijdstip liggende datum, vervalt die verlenging van rechtswege.
2. Een EEG-modelgoedkeuring kan worden ingetrokken, indien aan de ijkinstelling:
a. blijkt dat degene op wiens naam het certificaat van EEG-modelgoedkeuring is gesteld, het met betrekking tot het desbetreffende model vastgestelde EEG-modelgoedkeuringsteken heeft aangebracht op meetmiddelen die niet naar het goedgekeurde model zijn vervaardigd;
b. blijkt dat naar het goedgekeurde model vervaardigde meetmiddelen niet voldoen aan de daarvoor gegeven algemene of bijzondere ijktechnische voorschriften;
c. blijkt dat het voorschrift of de beperkingen, die ingevolge artikel 6, tweede lid, derde lid, onder a of b, of artikel 11, zevende lid, aan de EEG-modelgoedkeuring zijn verbonden, niet zijn nageleefd of in acht genomen;
d. blijkt dat de EEG-modelgoedkeuring ten onrechte is verleend;
e. door het bevoegde orgaan van een andere EER-Staat schriftelijk is medegedeeld dat is gebleken van feiten als omschreven in het eerste lid of in het onderhavige lid, onder a, b, c of d.
3. In een geval als in het tweede lid, onder e, bedoeld vindt de intrekking van een EEG-modelgoedkeuring niet plaats dan na overleg van de ijkinstelling met het bevoegde orgaan van de betrokken EER-Staat.
4. Indien een EEG-modelgoedkeuring wordt ingetrokken op een tijdstip, waarop ingevolge artikel 11reeds voor de betrokkene die EEG-modelgoedkeuring is verlengd met ingang van een na dat tijdstip liggende datum, vervalt die verlenging van rechtswege.