BWBR0003165
Geldig vanaf 1978-07-01
Artikel 26
Algemeen EEG-IJkbesluit
1. Het bij of krachtens de artikelen 27-31 bepaalde geldt uitsluitend ten aanzien van de bij artikel 2, eerste lid, aangewezen meetmiddelen:
a. waarop een vorm van EEG-keuring wordt toegepast,
b. die EEG-geijkte meetmiddelen zijn,
c. die kennelijk EEG-geijkte meetmiddelen zijn geweest of
d. die voldoen aan het bepaalde in artikel 25, eerste lid, maar ingevolge het tweede lid van dat artikel niet als EEG-geijkte meetmiddelen worden aangemerkt.
2. Een bij artikel 2, eerste lid, onder c, 4°, aangewezen meetmiddel, dat bij de eerste EEG-ijk is goedgekeurd, wordt, indien daarvoor krachtens artikel 21 de geldigheidsduur van het ijkmerk van eerste EEG-ijk of van de dat ijkmerk vervangende verklaring is beperkt, na afloop van die geldigheidsduur voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen niet aangemerkt als een meetmiddel, dat kennelijk een EEG-geijkt meetmiddel is geweest.
a. waarop een vorm van EEG-keuring wordt toegepast,
b. die EEG-geijkte meetmiddelen zijn,
c. die kennelijk EEG-geijkte meetmiddelen zijn geweest of
d. die voldoen aan het bepaalde in artikel 25, eerste lid, maar ingevolge het tweede lid van dat artikel niet als EEG-geijkte meetmiddelen worden aangemerkt.
2. Een bij artikel 2, eerste lid, onder c, 4°, aangewezen meetmiddel, dat bij de eerste EEG-ijk is goedgekeurd, wordt, indien daarvoor krachtens artikel 21 de geldigheidsduur van het ijkmerk van eerste EEG-ijk of van de dat ijkmerk vervangende verklaring is beperkt, na afloop van die geldigheidsduur voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen niet aangemerkt als een meetmiddel, dat kennelijk een EEG-geijkt meetmiddel is geweest.