BWBR0003165
Geldig vanaf 1978-07-01
Artikel 11
Algemeen EEG-IJkbesluit
1. Behoudens het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6, derde lid, onder c, en vierde lid, en 12, is de geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring tien jaar.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de EEG-modelgoedkeuring verleend voor een periode die eindigt tien jaar na de eerste dagtekening van het certificaat van EEG-modelgoedkeuring, indien het betreft een model van een variant als in artikel 8, eerste lid, bedoeld.
3. De geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring voor een model ten aanzien waarvan een certificaat van aanvullende EEG-modelgoedkeuring als in artikel 8, eerste lid, bedoeld, is afgegeven, wordt gerekend van de dagtekening van dat certificaat af; ten aanzien van elk ander model wordt de geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring gerekend van de eerste dagtekening van het certificaat van EEG-modelgoedkeuring af.
4. Op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wiens naam het certificaat van EEG-modelgoedkeuring is gesteld, wordt de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring, waarop dat certificaat betrekking heeft, telkenmale met een periode van tien jaar verlengd, mits dat verzoek wordt ingediend bij de ijkinstelling binnen een tijdvak, aanvangende een jaar en eindigende zes maanden voor de einddatum van de lopende geldigheidsduur.
5. De geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring wordt echter niet verlengd, indien ten tijde van de beslissing op de aanvraag ten aanzien van de betrokken meetmiddelen:
a. zodanig gewijzigde algemene ijktechnische voorschriften gelden, dat onder de werking daarvan een EEG-modelgoedkeuring voor het betrokken model niet zou zijn verleend, of
b. ter uitvoering van een bekendgemaakte bijzondere richtlijn erin is of moet worden voorzien, dat uiterlijk met ingang van de dag, volgende op de einddatum van de lopende geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring een zodanige wijziging van de algemene ijktechnische voorschriften in werking is getreden, dat onder de werking van die voorschriften de betrokken EEG-modelgoedkeuring niet zou zijn verleend.
6. Onze Minister kan in afwijking van het vierde lid bepalen dat de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring met betrekking tot een model als bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet wordt verlengd of slechts eenmaal wordt verlengd voor een door hem vastgestelde periode.
7. Ten aanzien van de verlenging van de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring van een model als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is artikel 6, tweede, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Op het verzoek tot verlenging van de EEG-modelgoedkeuring beslist de ijkinstelling zo spoedig mogelijk na afloop van het in het vierde lid bedoelde tijdvak doch vóór de einddatum van de lopende geldigheidsduur. Dit besluit van de ijkinstelling wordt de betrokkene schriftelijk medegedeeld.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de EEG-modelgoedkeuring verleend voor een periode die eindigt tien jaar na de eerste dagtekening van het certificaat van EEG-modelgoedkeuring, indien het betreft een model van een variant als in artikel 8, eerste lid, bedoeld.
3. De geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring voor een model ten aanzien waarvan een certificaat van aanvullende EEG-modelgoedkeuring als in artikel 8, eerste lid, bedoeld, is afgegeven, wordt gerekend van de dagtekening van dat certificaat af; ten aanzien van elk ander model wordt de geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring gerekend van de eerste dagtekening van het certificaat van EEG-modelgoedkeuring af.
4. Op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wiens naam het certificaat van EEG-modelgoedkeuring is gesteld, wordt de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring, waarop dat certificaat betrekking heeft, telkenmale met een periode van tien jaar verlengd, mits dat verzoek wordt ingediend bij de ijkinstelling binnen een tijdvak, aanvangende een jaar en eindigende zes maanden voor de einddatum van de lopende geldigheidsduur.
5. De geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring wordt echter niet verlengd, indien ten tijde van de beslissing op de aanvraag ten aanzien van de betrokken meetmiddelen:
a. zodanig gewijzigde algemene ijktechnische voorschriften gelden, dat onder de werking daarvan een EEG-modelgoedkeuring voor het betrokken model niet zou zijn verleend, of
b. ter uitvoering van een bekendgemaakte bijzondere richtlijn erin is of moet worden voorzien, dat uiterlijk met ingang van de dag, volgende op de einddatum van de lopende geldigheidsduur van de EEG-modelgoedkeuring een zodanige wijziging van de algemene ijktechnische voorschriften in werking is getreden, dat onder de werking van die voorschriften de betrokken EEG-modelgoedkeuring niet zou zijn verleend.
6. Onze Minister kan in afwijking van het vierde lid bepalen dat de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring met betrekking tot een model als bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet wordt verlengd of slechts eenmaal wordt verlengd voor een door hem vastgestelde periode.
7. Ten aanzien van de verlenging van de geldigheidsduur van een EEG-modelgoedkeuring van een model als bedoeld in artikel 6, eerste lid, is artikel 6, tweede, derde, vierde, vijfde, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
8. Op het verzoek tot verlenging van de EEG-modelgoedkeuring beslist de ijkinstelling zo spoedig mogelijk na afloop van het in het vierde lid bedoelde tijdvak doch vóór de einddatum van de lopende geldigheidsduur. Dit besluit van de ijkinstelling wordt de betrokkene schriftelijk medegedeeld.