BWBR0002043
Geldig vanaf 1950-01-01
Artikel 4
Wet op de Kanselarijrechten 1948
De ambtenaar heft geen kanselarijrecht voor handelingen:
A. ten behoeve van burgerlijke of militaire instanties van het Koninkrijk der Nederlanden of deszelfs staatsrechtelijke of administratieve onderdelen;
B. ten behoeve van buitenlandse autoriteiten, wanneer hij meent, van de heffing van kanselarijrecht te moeten afzien;
C. ten behoeve van leden van het personeel binnen en buiten ’s lands, ressorterende onder Onze Minister van Buitenlandse Zaken, al dan niet verbonden aan een diplomatieke zending of consulaire post, doch alleen, wanneer de handelingen verricht worden ten behoeve van de vervulling der ambtelijke taak van die leden van het personeel;
D. ten behoeve van natuurlijke personen, die hem hun onvermogen aannemelijk maken;
E. in verband met de dienstplicht dan wel met vrijwillige dienstneming bij enig onderdeel der strijdkrachten van het Koninkrijk;
F. ten behoeve van hulp-acties of instellingen van weldadigheid, wanneer de ambtenaar meent, van de heffing van kanselarijrecht te moeten afzien.
A. ten behoeve van burgerlijke of militaire instanties van het Koninkrijk der Nederlanden of deszelfs staatsrechtelijke of administratieve onderdelen;
B. ten behoeve van buitenlandse autoriteiten, wanneer hij meent, van de heffing van kanselarijrecht te moeten afzien;
C. ten behoeve van leden van het personeel binnen en buiten ’s lands, ressorterende onder Onze Minister van Buitenlandse Zaken, al dan niet verbonden aan een diplomatieke zending of consulaire post, doch alleen, wanneer de handelingen verricht worden ten behoeve van de vervulling der ambtelijke taak van die leden van het personeel;
D. ten behoeve van natuurlijke personen, die hem hun onvermogen aannemelijk maken;
E. in verband met de dienstplicht dan wel met vrijwillige dienstneming bij enig onderdeel der strijdkrachten van het Koninkrijk;
F. ten behoeve van hulp-acties of instellingen van weldadigheid, wanneer de ambtenaar meent, van de heffing van kanselarijrecht te moeten afzien.