BWBR0002043
Geldig vanaf 1950-01-01
Artikel 2
Wet op de Kanselarijrechten 1948
A. De ambtenaren, bedoeld in art. 1, heffen van alle personen, te wier behoeve zij een handeling verrichten, in deze wet genoemd, het kanselarijrecht, daarvoor bij deze wet bepaald.
B. Zij laten de heffing van dat recht na, wanneer deze wet zulks voorschrijft, en kunnen de heffing nalaten, wanneer deze wet zulks veroorlooft.
C. Zij heffen geen kanselarijrecht met betrekking tot handelingen, waarvoor door of ingevolge deze wet geen recht bepaald wordt.
D. Is de ambtenaar belast met de algemene behartiging der belangen van een ander land, zo is deze wet toepasselijk op de handelingen, uit die behartiging voortvloeiende, en zullen, onverminderd de verhoging, bedoeld bij artikel 8, de woorden Nederlands en Nederlands onderdaan, voorkomende in deze wet, geacht worden, ter zake van die handelingen te zijn vervangen door overeenkomstige woorden betreffende dat land.
E. Is de ambtenaar echter belast met het beheer van een bestaande diplomatieke zending, consulaire post of ander bestaand kantoor van een ander land, zo past hij op de handelingen, uit dat beheer voortvloeiende, de voorschriften toe, welke dat land met betrekking tot kanselarijrechten mocht geven of gegeven hebben, en zal Onze Minister van Buitenlandse Zaken bepalen, welke de bestemming zal zijn van de gelden, die de ambtenaar uit dezen hoofde heft.
F. Onze Minister van Buitenlandse Zaken is bevoegd, overeenkomstig de bepalingen dezer wet voor handelingen, in deze wet genoemd, die te zijnen departemente verricht worden, het recht te heffen, daarvoor bij deze wet bepaald, tenzij er voor die handelingen, indien te zijnen departemente verricht, een ander recht is of zal worden vastgesteld, onder welke benaming ook.
G. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, een kanselarijrecht in te stellen voor een handeling, niet in deze wet genoemd. Daarop zijn de bepalingen dezer wet van toepassing.
H. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, bij gebleken noodzaak het bedrag van een kanselarijrecht, bij deze wet bepaald, te verlagen.
B. Zij laten de heffing van dat recht na, wanneer deze wet zulks voorschrijft, en kunnen de heffing nalaten, wanneer deze wet zulks veroorlooft.
C. Zij heffen geen kanselarijrecht met betrekking tot handelingen, waarvoor door of ingevolge deze wet geen recht bepaald wordt.
D. Is de ambtenaar belast met de algemene behartiging der belangen van een ander land, zo is deze wet toepasselijk op de handelingen, uit die behartiging voortvloeiende, en zullen, onverminderd de verhoging, bedoeld bij artikel 8, de woorden Nederlands en Nederlands onderdaan, voorkomende in deze wet, geacht worden, ter zake van die handelingen te zijn vervangen door overeenkomstige woorden betreffende dat land.
E. Is de ambtenaar echter belast met het beheer van een bestaande diplomatieke zending, consulaire post of ander bestaand kantoor van een ander land, zo past hij op de handelingen, uit dat beheer voortvloeiende, de voorschriften toe, welke dat land met betrekking tot kanselarijrechten mocht geven of gegeven hebben, en zal Onze Minister van Buitenlandse Zaken bepalen, welke de bestemming zal zijn van de gelden, die de ambtenaar uit dezen hoofde heft.
F. Onze Minister van Buitenlandse Zaken is bevoegd, overeenkomstig de bepalingen dezer wet voor handelingen, in deze wet genoemd, die te zijnen departemente verricht worden, het recht te heffen, daarvoor bij deze wet bepaald, tenzij er voor die handelingen, indien te zijnen departemente verricht, een ander recht is of zal worden vastgesteld, onder welke benaming ook.
G. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, een kanselarijrecht in te stellen voor een handeling, niet in deze wet genoemd. Daarop zijn de bepalingen dezer wet van toepassing.
H. Wij behouden Ons de bevoegdheid voor, bij gebleken noodzaak het bedrag van een kanselarijrecht, bij deze wet bepaald, te verlagen.