BWBR0001830
Geldig vanaf 2021-03-17
Artikel 120
Wet op de rechterlijke organisatie
1. De artikelen 12, 13en 74zijn op de in artikel 113genoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
2. Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 111, tweede lid, is artikel 83van overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
3. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt, gehoord de overige leden van het parket bij de Hoge Raad, een regeling vast voor de behandeling van klachten. Artikel 26, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 13a tot en met 13gzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 111bedoelde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:
a. de in de artikelen 13a tot en met 13g aan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal, indien een gedraging van de procureur-generaal in het geding is;
b. voor de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 13b, eerste lid, onderdelen b en c, onder «artikel 26 of 75» wordt verstaan: artikel 120, derde lid,; en
c. een afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 13f, derde lid, wordt gezonden aan de verzoeker, aan de bij het parket bij de Hoge Raad werkzame rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek betrekking had, en aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
2. Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 111, tweede lid, is artikel 83van overeenkomstige toepassing op de procureur-generaal bij de Hoge Raad.
3. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt, gehoord de overige leden van het parket bij de Hoge Raad, een regeling vast voor de behandeling van klachten. Artikel 26, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 13a tot en met 13gzijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in artikel 111bedoelde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat:
a. de in de artikelen 13a tot en met 13g aan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen worden uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal, indien een gedraging van de procureur-generaal in het geding is;
b. voor de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 13b, eerste lid, onderdelen b en c, onder «artikel 26 of 75» wordt verstaan: artikel 120, derde lid,; en
c. een afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 13f, derde lid, wordt gezonden aan de verzoeker, aan de bij het parket bij de Hoge Raad werkzame rechterlijk ambtenaar op wiens gedraging het onderzoek betrekking had, en aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad.