Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-02-05
ECLI:NL:PHR:2021:124
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
2,448 tokens
Conclusie
F.F. Langemeijer
In de zaak
[verzoeker]
tegen
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
In deze zaak, betreffende een aanwijzing van een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming, heeft het cassatiemiddel betrekking op de samenstelling van de kamer van het gerechtshof die de bestreden beschikking heeft gegeven.
Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beschikking van 20 februari 2020 (nr. 200.266.283) heeft vermeld. Ik geef deze feiten in het kort en in chronologische volgorde weer:
(i) Verzoeker tot cassatie is de vader van:
- [kind 1] , geboren in 2010, en
- [kind 2] , geboren in 2011.
(ii) Beide kinderen zijn onder toezicht gesteld en op grond van een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst met ingang van 8 juni 2017.
(iii) Op 13 augustus 2018 heeft de GI aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven als bedoeld in art. 1:265f BW. Hierin heeft de GI in het kader van de uithuisplaatsing een regeling vastgesteld voor de omgang tussen de vader en de beide kinderen. Deze betrof éénmaal per maand begeleide omgang gedurende een uur in een gebouw van ‘de Rading’, op de data en tijdstippen als daarin vermeld. Naast de professionele begeleiding van de pleegzorgwerker of jeugdbeschermer zal, op verzoek van de kinderen, de pleegmoeder of pleegvader aanwezig mogen zijn bij de omgang voor emotionele ondersteuning.
(iv) Op 27 augustus 2018 heeft de vader aan de rechtbank Midden-Nederland verzocht deze schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren en alsnog te bepalen dat hij beide kinderen wekelijks mag zien bij hem thuis, zo nodig in het bijzijn van de gezinsvoogd/ begeleider vanuit de instelling/ een zus van de vader.
(v) Op 4 december 2018 heeft de kinderrechter in deze rechtbank – naast beslissingen over de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en van de uithuisplaatsing − de behandeling van het verzoek van de vader tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI aangehouden.
(vi) Bij beschikking van 1 februari 2019 heeft de kinderrechter – onder meer − een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, die inhoudt dat de vader eenmaal per maand gedurende een uur begeleide omgang met beide kinderen heeft op het kantoor van ‘de Rading’. De kinderrechter heeft overwegingen gewijd aan de wijze waarop de begeleiding zou kunnen worden ingericht. De kinderrechter heeft iedere verdere beslissing over het verzoek van de vader aangehouden.
(vii) Bij beschikking van 7 mei 2019 heeft de kinderrechter definitief een regeling vastgesteld voor het minimale contact tussen de vader en beide kinderen (met dien verstande dat de vader en de GI in overleg tot uitbreiding van deze omvang kunnen komen, zie rov. 3.3 Rb). Deze regeling hield in: eenmaal per maand begeleide omgang gedurende een uur op het kantoor van ‘de Rading’. De kinderrechter heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(viii) Bij beschikking van 12 juni 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland het gezag van beide ouders beëindigd en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verweerster in cassatie, de GI, is bij diezelfde beschikking benoemd tot voogdes over beide kinderen.
1.2
De vader heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 7 mei 2019. Hij heeft verzocht deze beschikking te vernietigen, zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 13 augustus 2018 alsnog toe te wijzen, althans een contact- of omgangsregeling vast te stellen waarbij hij beide kinderen eenmaal per twee weken mag zien en waarbij het contact met regelmaat plaatsvindt op een andere locatie dan het genoemde kantoor.
1.3
Het gerechtshof heeft het beroep mondeling behandeld op 6 februari 2020, tegelijk met het hoger beroep in de parallelzaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de GI verweer gevoerd tegen het hoger beroep van de vader.
1.4
Bij beschikking van 20 februari 2020 (nr. 200.266.283) heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Na een uiteenzetting van het juridisch kader in rov. 5.1 – 5.4 heeft het hof in rov. 5.5 overwogen dat, hoewel het ouderlijk gezag van de vader per 12 juni 2019 is beëindigd en vanaf die datum geen sprake meer is van ondertoezichtstelling, de vader belang behoudt bij een (retrospectief) oordeel van het hof over zijn hoger beroep, wat betreft de periode tot 12 juni 2019. In rov. 5.6 heeft het hof de inhoudelijke gronden vermeld waarom het hoger beroep is verworpen.
1.5
Namens de vader is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In het cassatieverzoekschrift werd een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel na ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2020. Namens de vader is een aanvullend cassatieverzoekschrift ingediend. In cassatie is geen verweer gevoerd.
1.6
Op de voet van art. 83 en 120 lid 2 RO heb ik bij het gerechtshof inlichtingen ingewonnen over de samenstelling van de kamer van het hof. De vraagstelling en de op 1 februari 2021 door de kamervoorzitter verstrekte inlichtingen zijn ter kennis gebracht van de in cassatie verschenen partij.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Beide onderdelen van het cassatiemiddel hebben betrekking op de samenstelling van de kamer van het gerechtshof die de bestreden beschikking heeft gegeven.
2.2
Onderdeel 1 klaagt dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel en daarmee art. 6 EVRM heeft geschonden. Ter onderbouwing van deze klacht is aangevoerd dat uit informatie van de griffie van het hof blijkt dat de samenstelling van de kamer van het gerechtshof bij de mondelinge behandeling op 6 februari 2020 een andere was dan de combinatie van raadsheren die op 20 februari 2020 de bestreden beschikking in appel heeft gegeven. Dat is volgens het middelonderdeel een grond tot vernietiging van de beschikking.
2.3
Het aanvullend cassatiemiddel houdt in dat hetgeen in de beschikking is vermeld over de samenstelling van de kamer van het hof in deze zaak onbegrijpelijk is, althans vragen oproept in het licht van het door verzoeker ontvangen afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 februari 2020, dat zowel betrekking heeft op de zaak betreffende de aanwijzing van de GI als op de parallelzaak betreffende de beëindiging van het gezag. Indien de combinatie van raadsheren die de bestreden beschikking heeft gegeven niet dezelfde is als die, welke de mondelinge behandeling op 6 februari 2020 heeft bijgewoond, is dat reden tot vernietiging.
2.4
Wat betreft het beroep op het onmiddellijkheidsbeginsel: bij arrest van 31 oktober 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Deze regel strekt ertoe, te waarborgen dat het ter zitting verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. De Hoge Raad heeft toen overwogen dat, indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, de procespartijen, alsmede – in verzoekschriftprocedures – de belanghebbenden, voorafgaand aan die uitspraak daarover moeten worden ingelicht, onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen en belanghebbenden zal in dat geval een nadere mondelinge behandeling mogen verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie het vonnis zal worden gewezen of de beschikking zal worden gegeven.
2.5
In dit geval is er geen aanwijzing dat het onmiddellijkheidsbeginsel is geschonden. Onder de beschikking van het hof staat dat deze is gegeven door de raadsheren mrs. R. Feunekes, A. Smeeïng-van Hees en H. Phaff.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Zie ook de parallelzaak 20/01631 over de beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader, waarin heden conclusie wordt genomen.
ECLI:NL:GHARL:2020:1456.
Hiermee gevolg gevend aan een suggestie die de advocaat van de vader in het aanvullend cassatieverzoekschrift heeft gedaan.
HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.D.H. Asser. Van de jurisprudentie nadien over ‘rechterswisseling’ noem ik slechts: HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472 (rov. 3.4.4 en 3.4.6), herhaald in HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711 en 1712.
Zie bijv. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, NJ 2019/146 m.nt. W.D.H. Asser (rov. 4.1.7). Er is verwantschap met art. 155 Rv (“de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht”) en met het onmiddellijkheidsbeginsel in het strafproces; vgl. art. 322 lid 3 Sv (hervatting onderzoek in gewijzigde samenstelling); art. 338 Sv (“uit het onderzoek op de terechtzitting”) resp. art. 350 Sv (“naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting”).