BWBR0001830
Geldig vanaf 2021-03-17
Artikel 68
Wet op de rechterlijke organisatie
1. Het bestuur van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de militaire kamer van de rechtbank Gelderland vonnis is gewezen een meervoudige kamer onder de benaming van militaire kamer. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer.
2. De militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur behoort tot het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.
3. De militaire kamer oordeelt ook over het beklag over niet vervolging in militaire zaken als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering</a>.
2. De militaire kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur behoort tot het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.
3. De militaire kamer oordeelt ook over het beklag over niet vervolging in militaire zaken als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering</a>.