BWBR0001830
Geldig vanaf 2021-03-17
Artikel 70
Wet op de rechterlijke organisatie
1. Het bestuur van het gerechtshof Den Haag vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0018040/artikel/78" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 78, derde lid, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005</a>, een meervoudige kamer onder de benaming van kamer voor het kwekersrecht. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamer.
2. De kamer voor het kwekersrecht bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op deze leden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.
2. De kamer voor het kwekersrecht bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en twee personen, niet zijnde rechterlijk ambtenaar, als deskundige leden. Op de deskundige leden zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op deze leden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als hun functionele autoriteit, zij voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, worden gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.