BWBR0001830
Geldig vanaf 2021-03-17
Artikel 119
Wet op de rechterlijke organisatie
1. Onze Minister kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, als plaatsvervangend advocaat-generaal bij de Hoge Raad een rechterlijk ambtenaar, die bij een rechtbank, een gerechtshof of een tot het openbaar ministerie behorend parket werkzaam is in een ambt als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>, aanwijzen. De aanwijzing geschiedt voor een daarbij te bepalen termijn. De <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/46c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 46c</a>, <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/46ca" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">46ca, eerste lid, onderdeel a</a>, <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/46d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">46d, eerste lid, onderdeel d</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/46e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">46e van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>zijn op de plaatsvervangend advocaat-generaal van overeenkomstige toepassing.
2. Aanwijzing van een bij een rechtbank of een gerechtshof werkzame rechterlijk ambtenaar tot plaatsvervangend advocaat-generaal geschiedt slechts met diens toestemming.
3. Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.
4. De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, een vice-president van, een raadsheer in of een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, indien hij daarmee instemt, belasten met de waarneming van het ambt van advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
2. Aanwijzing van een bij een rechtbank of een gerechtshof werkzame rechterlijk ambtenaar tot plaatsvervangend advocaat-generaal geschiedt slechts met diens toestemming.
3. Plaatsvervangende advocaten-generaal nemen, op de voet van een advocaat-generaal, conclusies voor zover zij daartoe door de procureur-generaal worden opgeroepen. Zij nemen in zodanig geval, wanneer de Hoge Raad ten principale recht doet, de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 125, waar.
4. De president van de Hoge Raad kan, op aanbeveling van de procureur-generaal, een vice-president van, een raadsheer in of een raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, indien hij daarmee instemt, belasten met de waarneming van het ambt van advocaat-generaal bij de Hoge Raad.