BWBR0001830
Geldig vanaf 2021-03-17
Artikel 55
Wet op de rechterlijke organisatie
1. Het bestuur van de rechtbank Gelderland vormt voor het behandelen en beslissen van zaken als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004789/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak</a>, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van militaire kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.
2. Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.
3. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige militaire kamer draagt de titel van militaire politierechter.
2. Een meervoudige kamer bestaat uit twee rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en een militair lid, dat bij voorkeur afkomstig is uit het krijgsmachtdeel waartoe de verdachte behoort of behoorde. Bij de behandeling van een zaak tegen verdachten van verschillende krijgsmachtdelen bepaalt de voorzitter van de kamer uit welk krijgsmachtdeel het militaire lid afkomstig is. Op het militaire lid zijn de artikelen 7, derde lid, 12en 13 tot en met 13gvan overeenkomstige toepassing. Tevens zijn de <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 44, eerste, vierde tot en met achtste en tiende lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0008365/artikel/44a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">44a, eerste tot en met achtste en tiende lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>op dit lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bestuur van het gerecht wordt aangemerkt als zijn functionele autoriteit, dit lid voor de overeenkomstige toepassing van artikel 44, eerste en zevende lid, wordt gelijkgesteld met plaatsvervangers in hetzelfde gerecht, en de president van het gerecht ten aanzien van dit lid de bevoegdheid, bedoeld in artikel 44, zesde lid, uitoefent.
3. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige militaire kamer draagt de titel van militaire politierechter.