BWBR0050465
Geldig vanaf 2024-11-27
Artikel 7
Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties
1. Er is sprake van een onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, indien:
a. in geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort: 1°. een deel van de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verwijderd van de veehouderijlocatie, en
2°. het aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie aanwezig was twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag op grond van een provinciaal subsidie-instrument door de veehouderijonderneming wordt ingediend in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd;
1°. een deel van de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verwijderd van de veehouderijlocatie, en
2°. het aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie aanwezig was twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag op grond van een provinciaal subsidie-instrument door de veehouderijonderneming wordt ingediend in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd;
b. in geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten: 1°. voor ten minste één diersoort, maar niet voor alle diersoorten, de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit volledig wordt verwijderd; en
2°. het aantal landbouwhuisdieren in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd.
1°. voor ten minste één diersoort, maar niet voor alle diersoorten, de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit volledig wordt verwijderd; en
2°. het aantal landbouwhuisdieren in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd.
2. In de in het eerste lid genoemde gevallen is sprake van een onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, indien:
a. de landbouwhuisdieren waarmee het aantal landbouwhuisdieren wordt teruggebracht, niet langer worden gehouden op de locatie;
b. de veehouder, voor zover hij een veehouderij met productierecht drijft, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat op de veehouderijlocatie in overeenstemming met de verwijderde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, of onderdeel b, subonderdeel 1, wordt teruggebracht: – varkens: 80%;
– pluimvee 80%;
– melkvee: 95%;
– varkens: 80%;
– pluimvee 80%;
– melkvee: 95%;
c. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving: 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt; of
2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt;
1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt; of
2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt;
d. het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren dat nog kan worden gehouden na de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;
e. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de provincie heeft verbonden om: 1°. niet meer landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt; en
3°. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument gedeeltelijk wordt gesloten en voor zover van belang voor het op grond van het provinciaal subsidie-instrument te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
1°. niet meer landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt; en
3°. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument gedeeltelijk wordt gesloten en voor zover van belang voor het op grond van het provinciaal subsidie-instrument te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
3. Onder de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde verwijdering van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verstaan het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte dierenverblijven, voor zover zij zijn te relateren aan het aantal landbouwhuisdieren dat niet langer wordt gehouden op de veehouderijlocatie.
4. De provincie kan ontheffing verlenen van het vereiste van het verwijderen van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, voor zover de veehouderijonderneming de productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken:
a. voor de veehouderijonderneming, mits de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit gebruikt wordt voor het houden van landbouwhuisdieren tot een maximum van het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, of onderdeel b, subonderdeel 2;
b. voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, op een door de provincie te bepalen uiterste datum, nadat de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.
a. in geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort: 1°. een deel van de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verwijderd van de veehouderijlocatie, en
2°. het aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie aanwezig was twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag op grond van een provinciaal subsidie-instrument door de veehouderijonderneming wordt ingediend in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd;
1°. een deel van de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verwijderd van de veehouderijlocatie, en
2°. het aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie aanwezig was twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag op grond van een provinciaal subsidie-instrument door de veehouderijonderneming wordt ingediend in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd;
b. in geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten: 1°. voor ten minste één diersoort, maar niet voor alle diersoorten, de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit volledig wordt verwijderd; en
2°. het aantal landbouwhuisdieren in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd.
1°. voor ten minste één diersoort, maar niet voor alle diersoorten, de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit volledig wordt verwijderd; en
2°. het aantal landbouwhuisdieren in omvang wordt teruggebracht en afgevoerd met het in subonderdeel 1 genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd.
2. In de in het eerste lid genoemde gevallen is sprake van een onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie, indien:
a. de landbouwhuisdieren waarmee het aantal landbouwhuisdieren wordt teruggebracht, niet langer worden gehouden op de locatie;
b. de veehouder, voor zover hij een veehouderij met productierecht drijft, overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet een kennisgeving heeft gedaan van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat op de veehouderijlocatie in overeenstemming met de verwijderde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, of onderdeel b, subonderdeel 1, wordt teruggebracht: – varkens: 80%;
– pluimvee 80%;
– melkvee: 95%;
– varkens: 80%;
– pluimvee 80%;
– melkvee: 95%;
c. al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving: 1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt; of
2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt;
1°. de veehouder bij het bevoegd gezag een omgevingsrechtelijke melding heeft gedaan dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt; of
2°. het bevoegd gezag de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zodanig heeft aangepast dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt;
d. het bevoegd gezag op verzoek van de veehouder een besluit heeft genomen op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van het houden van het aantal landbouwhuisdieren dat nog kan worden gehouden na de onomkeerbare gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie;
e. de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de provincie heeft verbonden om: 1°. niet meer landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt; en
3°. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument gedeeltelijk wordt gesloten en voor zover van belang voor het op grond van het provinciaal subsidie-instrument te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
1°. niet meer landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt; en
3°. niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument gedeeltelijk wordt gesloten en voor zover van belang voor het op grond van het provinciaal subsidie-instrument te verstrekken subsidiebedrag, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
3. Onder de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde verwijdering van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verstaan het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte dierenverblijven, voor zover zij zijn te relateren aan het aantal landbouwhuisdieren dat niet langer wordt gehouden op de veehouderijlocatie.
4. De provincie kan ontheffing verlenen van het vereiste van het verwijderen van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, voor zover de veehouderijonderneming de productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken:
a. voor de veehouderijonderneming, mits de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit gebruikt wordt voor het houden van landbouwhuisdieren tot een maximum van het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, of onderdeel b, subonderdeel 2;
b. voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, op een door de provincie te bepalen uiterste datum, nadat de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.