BWBR0050465
Geldig vanaf 2024-11-27
Artikel 2
Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties
1. De stikstofemissie wordt per diercategorie bepaald op basis van de op grond van artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregelingberekende emissiefactor die van toepassing is op de datum waarop de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument wordt ingediend, vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren die behoren tot de betreffende diercategorie, die twee kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument bij de provincie wordt ingediend, werden gehouden.
2. De drempelwaarde voor stikstofemissiereductie van een veehouderijlocatie bedraagt:
a. 250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;
b. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;
c. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie.
3. Bij het bepalen van de stikstofemissie om te kunnen beoordelen of een veehouderijlocatie voldoet aan de in het tweede lid bedoelde drempelwaarde wordt uitgegaan van:
a. het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren dat twee kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar waarin een aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument bij de provincie wordt ingediend op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;
b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het in onderdeel a genoemde kalenderjaar zijn gehouden.
4. Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar.
2. De drempelwaarde voor stikstofemissiereductie van een veehouderijlocatie bedraagt:
a. 250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;
b. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;
c. 750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, indien de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee, en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie.
3. Bij het bepalen van de stikstofemissie om te kunnen beoordelen of een veehouderijlocatie voldoet aan de in het tweede lid bedoelde drempelwaarde wordt uitgegaan van:
a. het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren dat twee kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar waarin een aanvraag om subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument bij de provincie wordt ingediend op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling;
b. het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het in onderdeel a genoemde kalenderjaar zijn gehouden.
4. Indien de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het, in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren voorafgaand aan het in het derde lid, onderdeel a, genoemde kalenderjaar.