BWBR0050465
Geldig vanaf 2024-11-27
Artikel 16
Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties
1. In het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument wordt het volgende opgenomen, gelet op het landbouwsteunkader:
a. voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten;
b. vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking;
c. de subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen;
d. alleen de kosten die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader komen voor vergoeding in aanmerking;
e. de veehouder drijft op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderijonderneming en de desbetreffende productiecapaciteit is onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van een aanvraag om subsidie bij de provincie op grond van een provinciaal subsidie-instrument op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt;
f. de veehouder: 1°. heeft zich niet reeds verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of heeft niet reeds een aanvang gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; of
2°. stelt niet of heeft niet gesteld ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na de datum van publicatie van deze regeling;
1°. heeft zich niet reeds verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of heeft niet reeds een aanvang gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; of
2°. stelt niet of heeft niet gesteld ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na de datum van publicatie van deze regeling;
g. de veehouder voldoet, en heeft voldaan, aan de Unienormen en aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming;
h. de veehouder is niet failliet verklaard of aan hem is geen surséance van betaling verleend of ten aanzien van hem is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet van toepassing verklaard, dan wel er is geen verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend;
i. de veehouderijonderneming is: 1°. geen onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; of
2°. geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;
1°. geen onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; of
2°. geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;
j. de activiteiten dragen onvoldoende bij aan de doelstellingen van de subsidie.
2. Alleen een veehouderijonderneming die voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt voor subsidie op grond van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument in aanmerking. In aanvulling op het eerste lid, en in overeenstemming met randnummer 426 van het landbouwsteunkader, wordt in het provinciale subsidie-instrument opgenomen dat een aanvraag om subsidie wordt afgewezen indien de subsidieaanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouderijonderneming moet beëindigen.
a. voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten;
b. vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking;
c. de subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen;
d. alleen de kosten die voldoen aan de eisen van het landbouwsteunkader komen voor vergoeding in aanmerking;
e. de veehouder drijft op de veehouderijlocatie daadwerkelijk een veehouderijonderneming en de desbetreffende productiecapaciteit is onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van een aanvraag om subsidie bij de provincie op grond van een provinciaal subsidie-instrument op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt;
f. de veehouder: 1°. heeft zich niet reeds verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of heeft niet reeds een aanvang gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; of
2°. stelt niet of heeft niet gesteld ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na de datum van publicatie van deze regeling;
1°. heeft zich niet reeds verplicht om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of heeft niet reeds een aanvang gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; of
2°. stelt niet of heeft niet gesteld ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die voor de veehouderijlocatie bestaat of bestond ingevolge de bestaande vergunningen, in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk ter beschikking voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na de datum van publicatie van deze regeling;
g. de veehouder voldoet, en heeft voldaan, aan de Unienormen en aan de wettelijke vereisten voor het drijven van een veehouderijonderneming;
h. de veehouder is niet failliet verklaard of aan hem is geen surséance van betaling verleend of ten aanzien van hem is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet van toepassing verklaard, dan wel er is geen verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend;
i. de veehouderijonderneming is: 1°. geen onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; of
2°. geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;
1°. geen onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in randnummer 25 van het landbouwsteunkader; of
2°. geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader;
j. de activiteiten dragen onvoldoende bij aan de doelstellingen van de subsidie.
2. Alleen een veehouderijonderneming die voldoet aan de normen van de Europese Unie, komt voor subsidie op grond van het in artikel 4, eerste lid, bedoelde provinciale subsidie-instrument in aanmerking. In aanvulling op het eerste lid, en in overeenstemming met randnummer 426 van het landbouwsteunkader, wordt in het provinciale subsidie-instrument opgenomen dat een aanvraag om subsidie wordt afgewezen indien de subsidieaanvrager niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouderijonderneming moet beëindigen.