BWBR0050465
Geldig vanaf 2024-11-27
Artikel 14
Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties
1. De in artikel 5, eerste lid, onderdeel e, bedoelde bijdrage bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 5.000 per veehouderijonderneming die een aanvraag indient voor subsidie op grond van een provinciaal subsidie-instrument.
2. Als subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid komen de volgende kosten derden die direct verbonden zijn met de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie op grond van een provinciaal subsidie-instrument in aanmerking:
a. kosten voor de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie;
b. een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder;
c. een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.
3. De subsidie voor de in het tweede lid, onderdeel c, genoemde kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies:
a. wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft;
b. een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van productiecapaciteit;
c. niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming; en
d. wordt uitgevoerd door een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssyteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435).
2. Als subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid komen de volgende kosten derden die direct verbonden zijn met de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie op grond van een provinciaal subsidie-instrument in aanmerking:
a. kosten voor de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie;
b. een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder;
c. een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies inzake de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.
3. De subsidie voor de in het tweede lid, onderdeel c, genoemde kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten wordt uitsluitend verstrekt, indien het advies:
a. wordt uitgevoerd door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft;
b. een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van productiecapaciteit;
c. niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming; en
d. wordt uitgevoerd door een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssyteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435).