BWBR0047415
Geldig vanaf 2022-11-03
Artikel 7
Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO)
1. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor het onderzoeksinstituut gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die het onderzoeksinstituut stelselmatig toepast.
2. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
3. Het onderzoeksinstituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van:
a. de integrale kostensystematiek, door: 1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en
2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief;
1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en
2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief;
b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met: 1°. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten of, voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, een vast uurtarief van € 60;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
3°. de aan derden betaalde kosten;
1°. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten of, voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, een vast uurtarief van € 60;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
3°. de aan derden betaalde kosten;
c. de vaste-uurtarief-systematiek, door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 60 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met: 1°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
2°. de aan derden betaalde kosten.
1°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
2°. de aan derden betaalde kosten.
4. Onverminderd het derde lid worden, indien de subsidie bestemd is voor economische activiteiten:
a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
b. de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd.
2. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
3. Het onderzoeksinstituut bepaalt de subsidiabele kosten met behulp van:
a. de integrale kostensystematiek, door: 1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en
2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief;
1°. de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager te berekenen; en
2°. de subsidiabele kosten te berekenen door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het ingevolge subonderdeel 1° berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge subonderdeel 1° vastgestelde tarief;
b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met: 1°. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten of, voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, een vast uurtarief van € 60;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
3°. de aan derden betaalde kosten;
1°. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten of, voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, een vast uurtarief van € 60;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
3°. de aan derden betaalde kosten;
c. de vaste-uurtarief-systematiek, door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 60 waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met: 1°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
2°. de aan derden betaalde kosten.
1°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn;
2°. de aan derden betaalde kosten.
4. Onverminderd het derde lid worden, indien de subsidie bestemd is voor economische activiteiten:
a. de in aanmerking komende kosten berekend en gestaafd met bewijsstukken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
b. de in aanmerking komende kosten gedisconteerd overeenkomstig artikel 7, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, indien de steun in meerdere tranches wordt uitgekeerd.