BWBR0047415
Geldig vanaf 2022-11-03
Artikel 6
Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO)
1. Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking de redelijk gemaakte kosten die verbonden zijn met de uitvoering van een niet-economische of economische activiteit waarvoor op grond van deze regeling subsidie is verstrekt en die bestaan uit:
a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
b. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur.
2. Indien voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma dat op grond van deze regeling gefinancierd wordt met subsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat onderzoeksprogramma.
3. Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
4. Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.
5. De subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt worden in verband met de inzet van een natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een instituut als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoekof de organisatie, bedoeld in artikel 1 van de TNO-wet, indien het desbetreffende instituut of de desbetreffende organisatie:
a. de overwegende zeggenschap heeft over het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut; of
b. preferente toegang heeft tot de onderzoeksresultaten of onderzoeksfaciliteiten van het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut.
a. de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;
b. de kosten, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur.
2. Indien voor de uitvoering van een onderzoeksprogramma dat op grond van deze regeling gefinancierd wordt met subsidie apparatuur wordt aangeschaft, maakt de eventuele restwaarde van deze apparatuur geen deel uit van de subsidiabele kosten voor dat onderzoeksprogramma.
3. Winstopslagen of continuïteitsopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
4. Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen.
5. De subsidiabele kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Niet voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt worden in verband met de inzet van een natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met een instituut als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoekof de organisatie, bedoeld in artikel 1 van de TNO-wet, indien het desbetreffende instituut of de desbetreffende organisatie:
a. de overwegende zeggenschap heeft over het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut; of
b. preferente toegang heeft tot de onderzoeksresultaten of onderzoeksfaciliteiten van het reguliere of niet-reguliere onderzoeksinstituut.