BWBR0047415
Geldig vanaf 2022-11-03
Artikel 4
Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO)
1. De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor zover de minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidieverlening voor de uitvoering van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma op het gebied van een bepaald thema in bijlage 1van deze regeling heeft opengesteld.
2. Het subsidieplafond voor onderzoeksprogramma’s op het gebied van een bepaald thema als bedoeld in het eerste lid wordt achtereenvolgens verdeeld:
a. op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening; en
b. voor zover bij de rangschikking, bedoeld in onderdeel a, dit subsidieplafond wordt overschreden, op volgorde van loting van de aanvragen om subsidieverlening die bij de beoordeling op grond van onderdeel a gelijk zijn gerangschikt.
3. De aanvragen om subsidieverleningvoor een onderzoeksprogramma waarop niet afwijzend is beslist worden op grond van het tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate hieraan in totaal meer punten worden toegekend vanwege de omstandigheid dat:
a. het onderzoeksprogramma meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
b. de kwaliteit van het onderzoeksplan beter is, blijkend uit de uitwerking van de aanpak en methodiek, de omgang met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het onderzoeksprogramma, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;
c. de subsidieaanvrager die het onderzoeksprogramma uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksprogramma uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn;
2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden;
3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s;
4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager.
1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn;
2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden;
3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s;
4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager.
4. De minister kent per onderdeel van het derde lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
5. De minister verstrekt geen subsidie aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan het desbetreffende onderzoeksprogramma na toepassing van het derde lid, onderdelen a tot en met c, en vierde lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend.
2. Het subsidieplafond voor onderzoeksprogramma’s op het gebied van een bepaald thema als bedoeld in het eerste lid wordt achtereenvolgens verdeeld:
a. op volgorde van rangschikking van de aanvragen om subsidieverlening; en
b. voor zover bij de rangschikking, bedoeld in onderdeel a, dit subsidieplafond wordt overschreden, op volgorde van loting van de aanvragen om subsidieverlening die bij de beoordeling op grond van onderdeel a gelijk zijn gerangschikt.
3. De aanvragen om subsidieverleningvoor een onderzoeksprogramma waarop niet afwijzend is beslist worden op grond van het tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate hieraan in totaal meer punten worden toegekend vanwege de omstandigheid dat:
a. het onderzoeksprogramma meer bijdraagt aan de doelen, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
b. de kwaliteit van het onderzoeksplan beter is, blijkend uit de uitwerking van de aanpak en methodiek, de omgang met risico’s voor de succesvolle uitvoering van het onderzoeksprogramma, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de beschikbare middelen effectiever en efficiënter worden ingezet;
c. de subsidieaanvrager die het onderzoeksprogramma uitvoert meer geschikt is om een onderzoeksprogramma uit te voeren, blijkend uit: 1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn;
2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden;
3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s;
4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager.
1°. de mate waarin de daarvoor benodigde competenties binnen de aanvrager aanwezig zijn;
2°. de mate waarin er draagvlak bestaat voor het onderzoeksprogramma bij binnen Nederland gevestigde ondernemingen, maatschappelijke organisaties of overheden;
3°. de mate waarin de subsidieaanvrager succesvolle ervaring heeft met de uitvoering van soortgelijke onderzoeksprogramma’s;
4°. de kwaliteit van de projectorganisatie die aanwezig is bij de subsidieaanvrager.
4. De minister kent per onderdeel van het derde lid ten minste één en ten hoogste tien punten toe.
5. De minister verstrekt geen subsidie aan een niet-regulier onderzoeksinstituut voor het uitvoeren van een strategisch belangrijk onderzoeksprogramma indien aan het desbetreffende onderzoeksprogramma na toepassing van het derde lid, onderdelen a tot en met c, en vierde lid, minder dan zes punten per criterium zijn toegekend.