BWBR0047415
Geldig vanaf 2022-11-03
Artikel 15
Subsidieregeling strategisch belangrijke onderzoeksprogramma’s (SBO)
1. Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.
2. De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het onderzoeksprogramma jaarlijks een voortgangsrapportage over het onderzoeksprogramma die de minister kan gebruiken voor:
a. het monitoren van de voortgang van het onderzoeksprogramma; en
b. de brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma worden opgedaan.
3. De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma wordt opgedaan na afloop van het onderzoeksprogramma openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.
4. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
5. De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
6. In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid:
a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of
b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid.
2. De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het onderzoeksprogramma jaarlijks een voortgangsrapportage over het onderzoeksprogramma die de minister kan gebruiken voor:
a. het monitoren van de voortgang van het onderzoeksprogramma; en
b. de brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma worden opgedaan.
3. De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het onderzoeksprogramma wordt opgedaan na afloop van het onderzoeksprogramma openbaar in een, naar het oordeel van de minister, kwalitatief voldoende verslag.
4. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.
5. De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
6. In afwijking van het tweede en derde lid kan de minister, in overeenstemming met de minister die het mede aangaat, voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van wezenlijke belangen voor de veiligheid van de staat, de openbare orde en de openbare veiligheid:
a. besluiten dat resultaten niet bekend gemaakt worden of aan derden beschikbaar gesteld worden; of
b. op aanvraag van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het tweede of derde lid.